ECLI:NL:RBDHA:2021:14538
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek proceskostenveroordeling na gegrondverklaring bezwaar verblijfsvergunning
Verzoeker had een aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier met als doel 'familie en gezin' ingediend, welke op 25 januari 2021 werd afgewezen door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Verzoeker maakte bezwaar tegen dit besluit en vroeg tevens om een voorlopige voorziening. Op 14 september 2021 werd het bezwaar gegrond verklaard, waarbij de staatssecretaris verzoeker onthef van het mvv-vereiste vanwege een tijdelijke versoepeling van het beleid in verband met COVID-19.
Verzoeker trok daarop het verzoek om voorlopige voorziening in en verzocht de rechtbank om de staatssecretaris te veroordelen tot vergoeding van proceskosten op grond van artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De staatssecretaris verweerde zich en stelde dat er geen sprake was van een onrechtmatig primair besluit en dat het besluit op bezwaar niet was ingegeven door het verzoek om voorlopige voorziening.
De rechtbank oordeelde dat voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75a Awb vereist is dat het bestuursorgaan aan verzoeker is tegemoetgekomen. De versoepeling van het beleid vanwege COVID-19 vormde een tijdelijke beleidswijziging en niet een tegemoetkoming in de zin van het artikel. Daarom wees de rechtbank het verzoek om proceskostenveroordeling af. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het verzoek om proceskostenveroordeling wordt afgewezen omdat geen sprake is van tegemoetkomen in de zin van artikel 8:75a Awb.