ECLI:NL:RBDHA:2021:14550

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
22 december 2021
Publicatiedatum
28 december 2021
Zaaknummer
NL21.15713
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 62 Vreemdelingenwet 2000Art. 66a Vreemdelingenwet 2000Art. 5.1b Vreemdelingenbesluit 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen terugkeerbesluit en inreisverbod wegens verblijf zonder rechtmatig verblijf

Eiser, met de Albanese nationaliteit, werd op 3 september 2021 staande gehouden op een zeiljacht met andere Albanese vreemdelingen. De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid vaardigde op 5 september 2021 een terugkeerbesluit uit op grond van artikel 62 Vreemdelingenwet Pro 2000, gecombineerd met een inreisverbod van twee jaar wegens het ontbreken van rechtmatig verblijf.

Eiser betoogde dat de Koninklijke Marechaussee onjuiste informatie had verstrekt aan zijn gemachtigde over het opleggen van maatregelen, waardoor sprake zou zijn van machtsmisbruik en schending van het vertrouwensbeginsel. Tevens stelde hij dat hij niet adequaat was gehoord over het inreisverbod en dat persoonlijke omstandigheden, zoals het willen bezoeken van zijn zus in Italië, onvoldoende waren meegewogen.

De rechtbank oordeelde dat het verzoek om vrijstelling van griffierecht terecht was toegewezen en dat het geschil zich beperkte tot het inreisverbod. De stellingen over machtsmisbruik en vertrouwensschending werden verworpen, mede omdat eiser tijdens het gehoor aangaf geen advocaatbijstand te wensen en geen gerechtvaardigd vertrouwen kon ontlenen aan eerdere communicatie. De persoonlijke omstandigheden werden niet betrokken bij de beoordeling omdat het inreisverbod ex tunc wordt getoetst.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees een proceskostenveroordeling af.

Uitkomst: Het beroep tegen het terugkeerbesluit en het inreisverbod wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL21.15713

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[Naam] , eiser

V-nummer: [Nummer]
(gemachtigde: mr. R. Deniz),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. N. Hamzaoui).

Procesverloop

Bij besluit van 5 september 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser een terugkeerbesluit en een inreisverbod voor de duur van twee jaar uitgevaardigd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 8 december 2021 op zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [Geb. datum] 1982 en de Albanese nationaliteit te bezitten. Hij is op 3 september 2021 staande gehouden door de Koninklijke Marechaussee op een zeiljacht, tezamen met vijftien andere vreemdelingen met de Albanese nationaliteit.
2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder aan eiser op grond van artikel 62 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) een terugkeerbesluit naar Albanië uitgevaardigd, waarbij hem is aangezegd dat hij de Europese Unie onmiddellijk moet verlaten omdat niet is gebleken dat hij rechtmatig in Nederland verblijft. Dit heeft verweerder gebaseerd op een aantal zware en lichte gronden zoals vermeld in artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000. Omdat aan eiser een terugkeerbesluit zonder vertrektermijn is uitgevaardigd, is hem op grond van artikel 66a, eerste lid, van de Vw ook een inreisverbod voor de duur van twee jaar uitgevaardigd.
3. Eiser kan zich niet verenigen met het bestreden besluit en voert daartegen het volgende aan. Aan de gemachtigde van eiser is op zowel 4 als 5 september 2021 medegedeeld door de Koninklijke Marechaussee dat vanwege capaciteitsgebrek (waarschijnlijk) geen maatregelen aan eiser zouden worden opgelegd. Pas op 13 september 2021 heeft de gemachtigde van eiser vernomen van eiser dat toch een inreisverbod is uitgevaardigd. Verweerder heeft dan ook valse informatie verstrekt aan de gemachtigde van eiser. Volgens eiser is sprake van machtsmisbruik en een schending van het vertrouwensbeginsel. Verder voert de gemachtigde van eiser aan dat niet duidelijk is hoe en op welke manier eiser zou zijn gehoord over het inreisverbod. Indien de gemachtigde van eiser op de hoogte was van het voornemen om een inreisverbod uit te vaardigen, had zij de keuze kunnen maken om bij dit gehoor aanwezig te zijn. Tot slot voert eiser aan dat de gemaakte belangenafweging in het kader van het inreisverbod gebrekkig is. Hij heeft een zus in Italië die hij wenst te kunnen bezoeken. Ter onderbouwing hiervan heeft zijn zus een bericht naar eiser gestuurd via WhatsApp. Op de telefoon van eiser staat nog meer informatie, maar zijn telefoon is in beslag genomen door de Koninklijke Marechaussee en onduidelijk is waar deze zich nu bevindt.
De rechtbank oordeelt als volgt.
Griffierecht
4. Eiser heeft verzocht om vrijstelling van het griffierecht wegens betalingsonmacht. De rechtbank heeft het verzoek om vrijstelling voorlopig toegewezen. Met het door eiser overgelegde formulier heeft hij naar het oordeel van de rechtbank voldoende aannemelijk gemaakt dat hij voldoet aan de voorwaarden voor vrijstelling. Het verzoek om vrijstelling van het griffierecht wordt daarom toegewezen.
Inreisverbod
5. Eiser heeft geen beroepsgronden gericht tegen het terugkeerbesluit. In geschil is dan ook uitsluitend het inreisverbod.
6. De stelling van eiser dat sprake is van machtsmisbruik en een schending van het vertrouwensbeginsel slaagt niet. Hoewel de door de gemachtigde van eiser ter zitting geïllustreerde manier van handelen aan de zijde van verweerder geen schoonheidsprijs verdient, ziet de rechtbank hierin geen aanleiding voor het oordeel dat het inreisverbod onrechtmatig is. De rechtbank volgt verweerder in de toelichting ter zitting dat met de mededeling aan de gemachtigde van eiser dat geen maatregel zal worden opgelegd, is bedoeld dat geen maatregel van bewaring zal worden opgelegd aan eiser. Verder blijkt uit het proces-verbaal gehoor inreisverbod dat eiser heeft verklaard geen bijstand te wensen van zijn advocaat tijdens het gehoor en dat tijdens dit gehoor jegens hem niet het vertrouwen is gewekt dat geen inreisverbod zou worden uitgevaardigd. Eiser kan dan ook geen gerechtvaardigd vertrouwen dat geen inreisverbod zou worden opgelegd ontlenen aan de communicatie tussen de Koninklijke Marechaussee en zijn gemachtigde.
7. Verweerder heeft daarnaast voldoende gemotiveerd waarom geen aanleiding bestond om af te zien van het uitvaardigen van het inreisverbod dan wel het verkorten van de duur daarvan wegens eisers persoonlijke omstandigheden. Eiser heeft immers tijdens het gehoor inreisverbod verklaard dat geen sprake is van omstandigheden die daartoe nopen. Het inreisverbod wordt ex tunc getoetst. Dit betekent dat de eerst in beroep aangevoerde omstandigheden dat eiser een zus in Italië heeft en dat eisers in beslag genomen telefoon nog meer informatie bevat, niet worden betrokken bij de beoordeling van het beroep. Deze beroepsgrond slaagt daarom ook niet.
Conclusie
8. Het beroep is ongegrond.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.M.P. van Alphen, rechter, in aanwezigheid van mr. W. van Loon, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.