Eiser, woonachtig in Spanje met daar belastbaar inkomen, betwistte de draagkrachtberekening van zijn studieschuld voor 2020. Verweerder had het maandbedrag vastgesteld op basis van een bruto inkomen van €30.196, terwijl eiser stelde dat het Spaanse verzamelinkomen van €24.433,25 als toetsingsinkomen had moeten gelden.
De rechtbank stelde vast dat verweerder sinds juni 2019 intern beleid hanteert waarbij bij ontbreken van een door de Nederlandse Belastingdienst vastgesteld inkomen het bruto inkomen wordt gebruikt in plaats van het buitenlandse verzamelinkomen. Dit beleid was niet gecommuniceerd met eiser, die erop mocht vertrouwen dat het eerdere beleid, waarbij het Spaanse verzamelinkomen werd gehanteerd, zou blijven gelden.
De rechtbank oordeelde dat verweerder niet beschikte over het wettelijk vereiste toetsingsinkomen en dat het vertrouwensbeginsel is geschonden. Daarom moest verweerder het maandbedrag opnieuw vaststellen uitgaande van het Spaanse verzamelinkomen. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde de beslissing op bezwaar en droeg verweerder op een nieuw besluit te nemen.