ECLI:NL:RBDHA:2021:1470

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
9 februari 2021
Publicatiedatum
23 februari 2021
Zaaknummer
AWB 20-3108 VK
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:22 AwbBesluit proceskosten bestuursrechtWerkinstructie 2019/16
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing visum kort verblijf wegens COVID-19 en schending hoorplicht ongegrond verklaard

Eiseres, van Ghanese nationaliteit, verzocht om een visum voor kort verblijf om op uitnodiging van een referent in Nederland te verblijven. De minister van Buitenlandse Zaken wees de aanvraag op 11 september 2019 af wegens onvoldoende aannemelijkheid van het doel en twijfel over terugkeer. Het bezwaar werd op 31 maart 2020 ongegrond verklaard, waarbij een nieuwe weigeringsgrond werd aangevoerd: een bedreiging voor de volksgezondheid vanwege COVID-19.

Eiseres stelde dat zij onterecht niet is gehoord over deze nieuwe grondslag, wat een schending van de hoorplicht oplevert. De rechtbank constateerde dat de minister niet is ingegaan op de bezwaren tegen de oorspronkelijke grondslag en een nieuwe grond heeft toegevoegd zonder hoorplicht na te komen, in strijd met het eigen beleid (Werkinstructie 2019/16).

Desondanks oordeelde de rechtbank dat eiseres niet in haar belangen is geschaad, omdat het primaire besluit geen negatieve rol zal spelen bij toekomstige visumaanvragen en de COVID-19 situatie een nieuwe, geldige grondslag vormt. Daarom passeerde de rechtbank het gebrek aan hoorplicht met toepassing van artikel 6:22 Awb Pro en verklaarde het beroep ongegrond.

De rechtbank veroordeelde de minister tot vergoeding van het door eiseres betaalde griffierecht en proceskosten van €1.068,-. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van het visum kort verblijf wordt ongegrond verklaard, ondanks schending van de hoorplicht.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 20/3108
V-nummer: [V-nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken in de zaak tussen

[eiseres] ,

geboren op [geboortedatum] , van Ghanese nationaliteit, eiseres
(gemachtigde: [naam] ),
en

de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder

(gemachtigde: [naam] ).

Procesverloop

Met een besluit van 11 september 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag tot afgifte van een visum voor kort verblijf van eiseres afgewezen. Het daartegen gemaakte bezwaar is bij besluit van 31 maart 2020 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard.
Op 15 april 2020 heeft de rechtbank het beroepschrift van eiseres tegen dit besluit ontvangen. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 januari 2021. Eiseres is vertegenwoordigd door haar gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn voornoemde gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Overwegingen

1. Eiseres heeft verzocht om afgifte van een visum voor kort verblijf. Eiseres is voornemens om voor een korte vakantie naar Nederland af te reizen. Zij is door [naam] (referent) uitgenodigd om tijdens haar verblijf in Nederland in zijn huis te verblijven.
Besluitvorming
2. Verweerder heeft in het primaire besluit de aanvraag van eiseres afgewezen. Verweerder heeft hieraan ten grondslag gelegd dat eiseres het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf niet heeft aangetoond en dat er redelijke twijfel bestaat over haar voornemen het grondgebied van de lidstaten te verlaten vóór het verstrijken van de geldigheid van het aangevraagde visum. Verweerder heeft in het bestreden besluit het bezwaar kennelijk ongegrond verklaard en de aanvraag van eiseres afgewezen op een nieuwe weigeringsgrondslag. Volgens verweerder is eiseres een bedreiging voor de volksgezondheid vanwege de COVID-19 situatie.
De hoorplicht
3. Eiseres heeft aangevoerd dat zij ten onrechte niet is gehoord.
4. De rechtbank stelt vast dat verweerder aan het bestreden besluit een nieuwe weigeringsgrond ten grondslag heeft gelegd en niet is ingegaan op de bezwaren tegen de weigeringsgrond in het primaire besluit. Daarom heeft verweerder gehandeld in strijd met het eigen beleid, zoals neergelegd in Werkinstructie 2019/16. Verweerder heeft het besluit daarom niet kennelijk ongegrond mogen verklaren. De rechtbank zal hierna beoordelen welke gevolgen dit moet hebben.
De overige beroepsgronden
3. Ter zitting heeft eiseres erop gewezen dat in het primaire besluit haar visum is afgewezen omdat zij het doel van haar reis niet aannemelijk heeft gemaakt en er twijfel over bestaat dat zij terug zal keren. Zij vreest dat dit bij de beoordeling van een volgende aanvraag voor een visum in haar nadeel zal meetellen. Zij kan zich hiertegen echter nu niet verdedigen.
4. Verweerder heeft ter zitting verklaard dat de situatie met de COVID anders is en dat dit niet zal gebeuren. De rechtbank stelt vast dat dit betekent dat het besluit van 11 september 2019 bij de beoordeling van een volgende aanvraag van eiseres voor een visum kort verblijf niet in het nadeel van eiseres zal meewegen.
5. Eiseres heeft verklaard dat het hierom te doen is en dat zij, indien dit in de uitspraak komt te staan, haar verdere beroepsgronden intrekt.
6. Gelet op het voorgaande is eiseres niet in haar belangen geschaad doordat verweerder haar niet heeft gehoord. De rechtbank zal het gebrek daarom met toepassing van artikel 6:22 van Pro de algemene wet bestuursrecht passeren. De conclusie is dan ook dat het beroep ongegrond is.
7. Vanwege de toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb zal de rechtbank bepalen dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt en verweerder veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten.
8. Deze proceskosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op €1.068,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van €534,- en wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank,
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van €1.068,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.B. van Gijn, rechter, in aanwezigheid van mr. T. van Soldt, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken.
griffier
rechter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.