De rechtbank Den Haag behandelde een verzoek van de vader tot onmiddellijke terugkeer van zijn twee minderjarige kinderen naar Groot-Brittannië, waar zij hun gewone verblijfplaats hadden voordat de moeder hen zonder toestemming naar Nederland bracht. De moeder voerde verweer op basis van weigeringsgronden uit het Haags Kinderontvoeringsverdrag, waaronder het verzet van de kinderen en het risico op ondragelijke situaties bij terugkeer.
Na uitgebreide beoordeling van de feiten, gesprekken met de kinderen en rapportages van de bijzondere curator en jeugdbeschermers, concludeerde de rechtbank dat het verzet van de kinderen niet authentiek is maar voortkomt uit een loyaliteitsconflict. Ook is onvoldoende gebleken dat terugkeer naar Groot-Brittannië een ondragelijke situatie oplevert. De moeder handelde in strijd met rechterlijke uitspraken en bracht de kinderen in een onmogelijke positie.
De rechtbank gelastte de terugkeer van de kinderen uiterlijk 5 januari 2022 en veroordeelde de moeder tot betaling van €6.938,53 aan proceskosten aan de vader. De teruggeleiding wordt begeleid door het Leger des Heils Jeugdzorg & Reclassering, en de bijzondere curator blijft betrokken tot een eventuele beroepsprocedure is afgerond.
De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard om snel duidelijkheid en stabiliteit voor de kinderen te waarborgen. De moeder wordt verplicht de kinderen met geldige reisdocumenten aan de vader af te geven indien zij zelf niet terugbrengt. De rechtbank benadrukte het belang van het naleven van rechterlijke uitspraken en het voorkomen van verdere psychische schade aan de kinderen.