ECLI:NL:RBDHA:2021:14802

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
22 december 2021
Publicatiedatum
3 januari 2022
Zaaknummer
SGR 20/8035
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1a1 WajongArt. 1:2 WajongArt. 1:3 WajongArt. 8:57 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering Wajong-uitkering wegens ontbreken ingezetenschap op 18e verjaardag

Eiser, geboren in Nederland maar kort daarna verhuisd naar Singapore, keerde op 19-jarige leeftijd terug naar Nederland. Hij vroeg een Wajong-uitkering aan vanwege zijn beperkingen door Addison’s ziekte en psychische klachten. Verweerder wees de aanvraag af omdat eiser op zijn achttiende verjaardag geen ingezetene van Nederland was, een vereiste voor de Wajong.

Eiser voerde aan dat hij altijd een duurzame band met Nederland heeft behouden door familiebezoek, vakanties en onderwijs in Nederlandse taal, en dat de wetgever ook de bedoeling had om dergelijke banden mee te wegen. De rechtbank oordeelde dat ingezetenschap op de dag van de achttiende verjaardag beoordeeld wordt naar de omstandigheden en dat een duurzame persoonlijke band met Nederland vereist is.

De rechtbank stelde vast dat eiser gedurende achttien jaar voornamelijk in het buitenland woonde en zijn sociale leven zich daar afspeelde. De enkele Nederlandse nationaliteit, familie in Nederland, en intentie om terug te keren, zijn onvoldoende om ingezetenschap aan te nemen. Daarom is eiser geen jonggehandicapte in de zin van de Wajong en is het beroep ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard omdat eiser op zijn achttiende verjaardag geen ingezetene van Nederland was en daarom geen Wajong-uitkering kan ontvangen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 20/8035

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 december 2021 in de zaak tussen

[eiser] , te [plaats] , eiser

(gemachtigde: [gemachtigde] ),
en
de raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv), verweerder
(gemachtigde: M.A. Brouwer).

Procesverloop

In het besluit van 13 mei 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiser meegedeeld dat hij niet voldoet aan de voorwaarden voor het recht op een uitkering ingevolge de
Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong).
In het besluit van 10 november 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het hiertegen door eiser gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn later met een aparte brief ingediend. Ook is namens eiser nog een brief met een uiteenzetting van zijn argumenten ingezonden.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Eiser heeft daarop schriftelijk gereageerd.
Onder toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een onderzoek ter zitting achterwege gebleven, omdat partijen duidelijk hebben gemaakt geen gebruik te willen maken van het recht ter zitting te worden gehoord. Daarna heeft de rechtbank het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb gesloten.

Overwegingen

1.1
Eiser is in Amstelveen geboren op [geboortedag] 1987 en heeft de Nederlandse nationaliteit. Kort na zijn geboorte is hij met zijn ouders vetrokken naar Singapore. Hij heeft daarna in verschillende andere landen gewoond. In 2006 is eiser op 19-jarige leeftijd teruggekeerd naar Nederland om te studeren en sindsdien woont hij hier te lande.
Op 17 oktober 2006 is hij ingeschreven in de Basisregistratie Personen.
In mei 2020 heeft eiser een aanvraag voor een uitkering op grond van de Wajong ingediend bij het Uwv. Daarbij heeft eiser op het formulier aangegeven dat hij vanwege Addison’s ziekte, een genetische aandoening, belemmeringen ondervindt in het dagelijks leven door een tekort aan energie. Ook is hij vaak langere periodes ziek en herstelt hij langzaam. Verder heeft eiser last van depressie en angst.
1.2
Bij het primaire besluit heeft verweerder geweigerd een uitkering ingevolge de Wajong aan eiser toe te kennen. Daarbij is overwogen dat eiser op zijn achttiende verjaardag geen ingezetene van Nederland was. Hij was toen ingezetene van Singapore.
1.3
Bij het bestreden besluit op bezwaar heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard. Verweerder heeft daarbij onder verwijzing naar de regels van de Wajong en de jurisprudentie overwogen dat eiser op zijn achttiende verjaardag geen ingezetene was in de zin van de wet, omdat hij toen nog in Singapore woonde. Het feit dat eiser af en toe naar Nederland kwam voor vakantie of familiebezoek, alsmede dat hij in verschillende landen op Nederlandse scholen heeft gezeten, is volgens verweerder onvoldoende om van een duurzame band met Nederland te bespreken. Het sociale leven van eiser heeft zich al die tijd in het buitenland afgespeeld. Ook het feit dat eiser de intentie heeft gehad om naar Nederland terug te keren acht verweerder onvoldoende.
2. In beroep voert eiser (samengevat) aan dat niet alleen naar de letter van de wet moet worden gekeken, maar ook naar de bedoeling van de wetgever. Volgens eiser heeft hij altijd een voldoende duurzame band met Nederland behouden, onder meer door vakanties en familiebezoek. Ook heeft hij steeds de bedoeling gehad om terug te keren naar Nederland. Hij heeft in het buitenland een tweetalig diploma behaald (Engels en Nederlands) waarbij het niveau van het Nederlands voldoende was om te worden toegelaten tot universitair onderwijs in Nederland.
3. De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.
4. Ingevolge artikel 1a1, eerste lid, van de Wajong is jonggehandicapte in de zin van dit hoofdstuk de ingezetene die op de dag waarop hij achttien jaar wordt als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft. In artikel 1:2 van Pro de Wajong is bepaald dat ingezetene in de zin van deze wet en de daarop berustende bepalingen is de natuurlijke persoon die in Nederland woont. Waar iemand woont wordt op grond van artikel 1:3, eerste lid, van de Wajong naar de omstandigheden beoordeeld.
5.
Tussen partijen is in geschil of appellant op de dag dat hij achttien jaar oud werd,
[geboortedag] 2005, als ingezetene van Nederland kan worden beschouwd. Ingevolge vaste rechtspraak (ECLI:NL:CRVB:2016:4501) komt het er bij de beoordeling naar de omstandigheden van ingezetenschap op aan of deze van dien aard zijn, dat een duurzame band van persoonlijke aard bestaat tussen de betrokkene en Nederland. Die duurzame band hoeft niet sterker te zijn dan de band met enig ander land, zodat voor een woonplaats hier te lande niet noodzakelijk is dat het middelpunt van iemands maatschappelijke leven zich in Nederland bevindt.
6. Niet in geschil is dat appellant reeds kort na zijn geboorte met zijn ouders vanuit Nederland is verhuisd naar Singapore en dat hij tot zijn vertrek naar Nederland in de loop van 2006 in het buitenland heeft gewoond. Gedurende dit tijdvak van ongeveer achttien jaar is eiser, naar hij heeft verklaard, alleen af en toe naar Nederland gereisd voor familiebezoek of vakantie. Dit betekent dat het (sociale) leven van appellant zich gedurende een periode van ongeveer achttien jaar voornamelijk in het buitenland (vooral in Singapore) heeft afgespeeld, waar hij onderwijs heeft gevolgd en bij zijn ouders woonde.
De enkele omstandigheden dat eiser de Nederlandse nationaliteit heeft, dat sommige familieleden in Nederland wonen en hij al voor zijn achttiende verjaardag de intentie zou hebben gehad naar Nederland te komen, vormen onvoldoende redenen om aan te nemen dat er in het geval van eiser een duurzame band van persoonlijke aard tussen hem en Nederland bestond op zijn achttiende verjaardag. Ook het feit dat eiser in het buitenland een examen heeft afgelegd in de Nederlandse taal betekent niet dat eiser een voldoende duurzame band met Nederland heeft.
7. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser geen jonggehandicapte is in de zin van de Wajong omdat hij op de in geding zijnde datum
( [geboortedag] 2005) niet aangemerkt kan worden als ingezetene. Het beroep is ongegrond.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.J. Waterbolk, rechter, in aanwezigheid van
mr. R.A.E. Bach, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op
22 december 2021.
griffier
rechter
de rechter is verhinderd om deze uitspaak te ondertekenen.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.