ECLI:NL:RBDHA:2021:14959
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid ondanks coronacrisis
De zaak betreft een beroep van de gemeente Den Haag tegen het UWV over een WW-uitkering aan een voormalig werkneemster die zelf ontslag nam per 1 april 2020. De werkneemster had een nieuwe baan bij de Bibliotheek Delft gepland, maar door de coronacrisis ging de indiensttreding niet door op de geplande datum.
Het UWV kende de WW-uitkering toe en verklaarde het bezwaar van de gemeente ongegrond, stellende dat de coronacrisis een uitzonderlijke omstandigheid vormde waardoor geen sprake was van verwijtbare werkloosheid. De gemeente betwistte dit en stelde dat de werkneemster verwijtbaar werkloos is omdat zij zelf ontslag nam zonder concreet zicht op een nieuwe baan.
De rechtbank oordeelde dat de werkneemster verwijtbaar werkloos is, omdat zij bewust het risico nam om zonder baan te komen door zelf ontslag te nemen terwijl het arbeidsvoorwaardengesprek met de nieuwe werkgever pas na haar ontslagbrief plaatsvond. De coronacrisis doet hieraan niet af, omdat het risico op werkloosheid door eigen handelen is ontstaan.
Daarom vernietigt de rechtbank het bestreden besluit van het UWV, maar laat de rechtsgevolgen van het besluit in stand omdat de uitkering reeds is beëindigd. De rechtbank veroordeelt het UWV tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan de gemeente.
Uitkomst: De rechtbank vernietigt het besluit van het UWV en oordeelt dat de werkloosheid verwijtbaar is, waardoor de WW-uitkering had moeten worden geweigerd.