De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van eiser tegen het college van Dijkgraaf en Hoogheemraden van Delfland over een besluit tot ophoging van een kade waarbij een esdoorn zou moeten wijken. In een eerdere tussenuitspraak was vastgesteld dat verweerder onvoldoende had gemotiveerd waarom de esdoorn niet behouden kon blijven.
Verweerder heeft vervolgens een rapport van een boomtaxateur overgelegd waarin wordt geconcludeerd dat de esdoorn een ophoging van 44 centimeter klei in één keer niet zal overleven, en dat technische oplossingen zoals bij de treurwilg niet haalbaar zijn. Eiser betwistte dit rapport niet met een tegenrapport, maar bleef van mening dat de metingen onjuist waren en de ophoging te hoog.
De rechtbank acht het rapport van Van Amerongen voldoende en inzichtelijk en concludeert dat verweerder het gebrek in de motivering heeft hersteld. Het beroep wordt gegrond verklaard, het bestreden besluit wordt vernietigd, maar de rechtsgevolgen blijven in stand omdat het gebrek is hersteld. Verweerder wordt veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiser.