ECLI:NL:RBDHA:2021:1516
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag kinderpardon wegens niet voldoen aan peildatum en 1F-status vader
Eisers, bestaande uit een moeder en haar kinderen met verschillende nationaliteiten, hebben een aanvraag ingediend voor het kinderpardon, welke door de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid is afgewezen. De afwijzing berustte op het niet voldoen aan de peildatum van vijf jaar verblijf in Nederland en de toepassing van contra-indicatie a vanwege de 1F-status van de vader, die nog steeds als gezinslid wordt beschouwd.
De rechtbank overwoog dat de Afsluitingsregeling een begunstigend beleid betreft met ruime beleidsruimte voor de overheid, waardoor de peildatum terecht werd gehanteerd. Tevens werd bevestigd dat de vader nog deel uitmaakt van het gezin en dat de 1F-tegenwerping rechtsgeldig is, mede omdat de Afdeling bestuursrechtspraak reeds uitspraak heeft gedaan in het hoger beroep van de vader.
Ten aanzien van het beroep op artikel 8 EVRM Pro oordeelde de rechtbank dat de belangenafweging door de overheid voldoende zorgvuldig en gemotiveerd was uitgevoerd. Het verblijf van de kinderen in Nederland tijdens een onrechtmatig verblijf leidt niet tot een beschermwaardig privéleven. De gezinsleden kunnen hun leven buiten Nederland voortzetten, waarbij het feit dat de vader niet naar Syrië wordt uitgezet geen aanleiding geeft tot een andere uitkomst.
De rechtbank concludeerde dat geen bijzondere omstandigheden aanwezig zijn die een uitzondering op het begunstigend beleid rechtvaardigen en verklaarde het beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de aanvraag kinderpardon wordt ongegrond verklaard.