ECLI:NL:RBDHA:2021:15196
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit beëindiging verblijfsrecht gemeenschapsonderdaan wegens onvoldoende middelen en strafrechtelijke overlast
Eiser, een Poolse gemeenschapsonderdaan, werd door de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid het verblijfsrecht in Nederland ontzegd op grond van artikel 8.12 van het Vreemdelingenbesluit 2000, omdat hij niet voldeed aan de voorwaarden voor rechtmatig verblijf. De Staatssecretaris stelde dat eiser onvoldoende middelen van bestaan had, geen vaste verblijfplaats bezat en regelmatig veroordeeld was voor vermogensdelicten.
Eiser voerde aan dat de belangenafweging onjuist was, omdat hij sinds september 2019 geen delicten meer had gepleegd en geen beroep deed op sociale bijstand. Tevens stelde hij dat het ontbreken van het onderliggende dossier hem belemmerde in zijn verweer. De rechtbank oordeelde dat de belangenafweging door de Staatssecretaris terecht in het nadeel van eiser was gemaakt, gelet op zijn strafrechtelijke verleden, zwervend bestaan en gebrek aan middelen.
De rechtbank constateerde echter een procedureel gebrek doordat het onderliggende dossier niet was toegevoegd aan het procesdossier, waardoor eiser niet kon verifiëren waarop het besluit was gebaseerd. Dit gebrek werd hersteld door de Staatssecretaris tijdens de procedure. De rechtbank vernietigde het bestreden besluit vanwege dit gebrek, maar liet de rechtsgevolgen daarvan in stand. Tevens werd eiser vrijgesteld van griffierecht en werd de Staatssecretaris veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd wegens procedureel gebrek, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.