ECLI:NL:RBDHA:2021:15307
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening
De eiser heeft een asielaanvraag ingediend die door de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid niet in behandeling is genomen op grond van de Dublinverordening, waarbij Denemarken als verantwoordelijke lidstaat is aangewezen. De eiser voerde aan dat de opvangvoorzieningen in Denemarken niet aan internationale normen voldoen en dat zijn asielverzoek niet deugdelijk is beoordeeld.
De rechtbank overweegt dat de Staatssecretaris in redelijkheid mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en dat de eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat dit in zijn geval niet geldt. De motivering van de Staatssecretaris over de opvangvoorzieningen en de beoordeling van het asielverzoek in Denemarken is voldoende. De eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat er geen juiste individuele beoordeling heeft plaatsgevonden.
De rechtbank concludeert dat er geen bijzondere omstandigheden zijn die toepassing van artikel 17 van Pro de Dublinverordening rechtvaardigen. Het beroep wordt ongegrond verklaard en er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag is ongegrond verklaard.