Eiser, een Jemenitische nationaliteit, heeft asiel aangevraagd in Nederland nadat hij in Peru verbleef met een tijdelijke verblijfsvergunning. De staatssecretaris verklaarde de asielaanvraag niet-ontvankelijk omdat eiser bescherming zou genieten in Peru, een land dat partij is bij het Vluchtelingenverdrag.
Eiser betwistte dit en overlegde documenten waaruit bleek dat zijn verblijfsstatus in Peru mogelijk was ingetrokken. De rechtbank oordeelde dat de staatssecretaris onvoldoende had gemotiveerd dat eiser daadwerkelijk bescherming geniet in Peru en dat de toegang tot Peru gewaarborgd is.
De rechtbank stelde vast dat het bestreden besluit in strijd is met de Algemene wet bestuursrecht wegens onvoldoende voorbereiding en motivering. Het beroep werd gegrond verklaard, het besluit vernietigd en de staatssecretaris opgedragen een nieuw besluit te nemen. Het verzoek om voorlopige voorziening werd afgewezen.