Eiser, afkomstig uit Irak, diende op 19 april 2021 een opvolgende aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel. Verweerder verklaarde deze aanvraag niet-ontvankelijk omdat er geen nieuwe feiten of omstandigheden waren die de kans op bescherming aanzienlijk vergroten.
Eiser voerde aan dat hij originele documenten over zijn broer, een vermeend hooggeplaatst lid van Islamitische Staat, had overgelegd die nieuwe elementen vormden. De rechtbank oordeelde dat hoewel de originele documenten als nieuwe elementen konden worden aangemerkt, deze niet overtuigend maakten dat eiser daadwerkelijk familie was van de genoemde persoon. Ook het overgelegde arrestatiebevel werd als nieuw element erkend, maar droeg niet bij aan een grotere kans op bescherming.
De rechtbank stelde dat verweerder de documenten in samenhang met eerdere stukken terecht heeft beoordeeld en dat de argumenten van eiser niet overtuigend waren. Gezien het ongeloofwaardige asielmotief in eerdere procedures gaf de rechtbank geen voordeel van de twijfel aan eiser.
Daarom mocht verweerder de aanvraag niet-ontvankelijk verklaren en is het beroep ongegrond verklaard. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.