ECLI:NL:RBDHA:2021:15333
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep gegrond wegens onduidelijkheid over terugvordering te hoge Anw-uitkering na WIA-toekenning
Eiseres ontving een Anw-uitkering en meldde zich ziek in april 2016. Per 2 juli 2019 werd aan haar een WIA-uitkering toegekend, die zij via haar werkgever ontving. Verweerder herzag de Anw-uitkering over juli tot en met september 2019 en vorderde een bedrag van € 2.144,76 bruto terug, omdat het inkomen hoger was dan bekend was. Eiseres maakte bezwaar tegen deze besluiten, dat ongegrond werd verklaard.
De rechtbank overwoog dat een WIA-uitkering volgens het Algemeen inkomensbesluit socialezekerheidswetten als overig inkomen wordt aangemerkt en in mindering moet worden gebracht op de Anw-uitkering. Omdat eiseres haar WIA-uitkering via haar werkgever ontving en uit de loonstroken niet bleek welk deel uit WIA bestond, was het voor haar niet redelijkerwijs duidelijk dat zij een te hoge Anw-uitkering ontving.
Dit leidde tot de conclusie dat sprake was van dringende redenen in de zin van artikel 34 van Pro de Anw, waardoor verweerder deels van herziening of intrekking had moeten afzien. De rechtbank vernietigde het bestreden besluit en droeg verweerder op een nieuw besluit te nemen, waarbij het griffierecht werd gerestitueerd en verweerder werd veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Het beroep van eiseres is gegrond verklaard en het bestreden besluit is vernietigd vanwege het ontbreken van dringende redenen voor terugvordering van de te hoge Anw-uitkering.