ECLI:NL:RBDHA:2021:15347
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen verzoek opheffing inreisverbod op grond van artikel 66a Vreemdelingenwet
Eiser, van Marokkaanse nationaliteit, heeft tegen hem in 2013 een inreisverbod van tien jaar opgelegd gekregen op grond van artikel 66a, eerste en zevende lid, van de Vreemdelingenwet 2000. In 2019 verzocht hij om opheffing van dit inreisverbod, stellende dat hij aan de voorwaarden van artikel 6.5b, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 voldeed, omdat hij meer dan de helft van de duur van het verbod buiten de EU verbleef en zich niet aan misdrijven schuldig maakte.
De Staatssecretaris wees het verzoek af, stellende dat het inreisverbod rust op artikel 66a, zevende lid, en dat er geen bijzondere feiten of omstandigheden zijn die opheffing rechtvaardigen. De rechtbank overweegt dat de bevoegdheid tot opheffing beperkt is bij een inreisverbod op grond van dit artikel en dat eiser onvoldoende heeft onderbouwd dat er bijzondere omstandigheden zijn, zoals een relatie met een Nederlandse vrouw of een dochter met de Nederlandse nationaliteit.
De rechtbank stelt vast dat eiser geen bewijs heeft geleverd van deze familiebanden en dat het verzoek om opheffing daarom niet kan slagen. Tevens is de beoordeling van het verzoek ex tunc, waarbij de situatie ten tijde van het oorspronkelijke besluit wordt getoetst. De rechtbank concludeert dat het inreisverbod terecht is opgelegd vanwege een actuele, werkelijke en ernstige bedreiging voor de samenleving en dat het beroep ongegrond is.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van het verzoek tot opheffing van het inreisverbod is ongegrond verklaard.