ECLI:NL:RBDHA:2021:15355
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublinverordening
De eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid om zijn asielaanvraag niet in behandeling te nemen, omdat Duitsland volgens de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling.
De rechtbank constateert dat het beroepschrift niet tijdig was ingediend, maar verklaart het beroep ontvankelijk vanwege een procedurele fout van verweerder. Eiser voert aan dat hij niet terug wil naar Duitsland vanwege onvoldoende zorg, vrees voor gedwongen terugkeer en zijn seksuele geaardheid, en beroept zich op artikel 8 EVRM Pro en artikel 17 Dublinverordening Pro.
De rechtbank oordeelt dat verweerder mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat Duitsland zijn verplichtingen niet nakomt. Er is geen bewijs van structurele gebreken in het Duitse asielstelsel, noch van indirect refoulement. Ook is de vrees voor negatieve gevolgen onvoldoende onderbouwd.
De rechtbank volgt verweerder dat er geen aanleiding is om af te wijken van de Dublinverordening en dat de omstandigheden van eiser niet uitzonderlijk zijn. Het beroep wordt ongegrond verklaard. Er is geen proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit om de asielaanvraag niet in behandeling te nemen wordt ongegrond verklaard.