Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
Verblijf van verzorgende ouder bij Nederlands minderjarig kind
Rechtbank Den Haag
Eiser, vader van twee minderjarige kinderen met de Nederlandse nationaliteit, verzocht om een verblijfsdocument op grond van artikel 9 Vreemdelingenwet Pro, met het argument dat zijn kinderen afhankelijk van hem zijn en bij weigering van verblijf het grondgebied van de EU zouden moeten verlaten. Verweerder weigerde het verblijfsdocument omdat niet was aangetoond dat er sprake was van een zodanige afhankelijkheidsverhouding, zoals vereist door het arrest Chavez-Vilchez van het Hof van Justitie van de EU.
De rechtbank stelde vast dat eiser pas in 2018 de kinderen heeft erkend en in 2019 het gezag heeft gekregen, en dat de dagelijkse verzorging en het zwaartepunt van de affectieve relatie bij de moeder ligt. De door eiser overgelegde foto’s en verklaringen waren onvoldoende om een afhankelijkheidsverhouding aan te tonen. Verweerder hoefde daarom geen nader onderzoek te doen en mocht het bezwaar ongegrond verklaren.
Ook werd geoordeeld dat de hoorplicht niet was geschonden omdat uit de stukken reeds duidelijk was dat geen afhankelijkheidsverhouding bestond. Het beroep op het IVRK en de omkering van de bewijslast faalden. De rechtbank wees het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening af en oordeelde dat verweerder voldoende rekening had gehouden met het belang van de kinderen.
Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van het verblijfsdocument wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.