ECLI:NL:RBDHA:2021:15420
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen overdracht aan Italië ondanks weigering COVID-test
Verzoeker, een Nigeriaanse vreemdeling, maakte bezwaar tegen zijn voorgenomen overdracht aan Italië op grond van de Dublinverordening. Hij weigerde een COVID-test te ondergaan, die volgens hem noodzakelijk was voor de overdracht. Verzoeker gaf aan liever via de IOM naar Nigeria terug te keren vanwege een dreigende strafdetentie in Italië.
De voorzieningenrechter stelde vast dat het bezwaar zich richtte op de feitelijke overdracht en niet op de bewaring. De weigering van verzoeker om een COVID-test te doen, is volgens de rechtbank niet relevant voor de rechtmatigheid van de overdracht. Verweerder mocht in redelijkheid verwachten dat verzoeker medewerking verleent aan de overdracht, waaronder het ondergaan van een COVID-test.
Er was geen sprake van onrechtmatige druk bij het verzoek om medewerking aan de test, noch van schending van de artikelen 2 en 6 EVRM. Gezien het ontbreken van nieuwe of relevante feiten die de rechtmatigheid van de overdracht zouden beïnvloeden, had het bezwaar geen redelijke kans van slagen. Daarom wees de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tegen de overdracht aan Italië werd afgewezen.