ECLI:NL:RBDHA:2021:15433
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening wegens onveiligheidsgevoel op AZC
Verzoeker, een Iraanse asielzoeker met een verblijfsvergunning, heeft bij de rechtbank beroep ingesteld tegen het feitelijk beëindigen van zijn opvang in het AZC. Hij vroeg de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen en hem per 1 maart 2021 op een alternatieve locatie op te vangen, omdat hij zich onveilig voelde in het AZC vanwege overlast en bedreigingen door medebewoners.
De voorzieningenrechter stelt vast dat er geen sprake is van een feitelijke beëindiging van verstrekkingen door het COA, aangezien verzoeker zich kan melden voor onderdak en een kamer beschikbaar heeft. Hoewel verzoeker zich onveilig voelt, heeft het COA maatregelen genomen zoals overplaatsing van een medebewoner en overleg met wijkagenten om zijn veiligheid te waarborgen.
De voorzieningenrechter erkent het veiligheidsgevoel van verzoeker, maar dit verandert niets aan de beoordeling dat het beroep geen redelijke kans van slagen heeft. Daarom wordt het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen. Tevens wordt verzoeker vrijgesteld van betaling van griffierecht wegens betalingsonmacht.
Deze uitspraak is mondeling gedaan op 26 februari 2021 door de voorzieningenrechter A. Bouteibi, en er staat geen rechtsmiddel tegen open.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening voor opvang op een andere locatie wordt afgewezen.