ECLI:NL:RBDHA:2021:15458
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Intrekking verblijfsvergunning wegens verbreking gezinsband en niet voldoen aan Besluit 1/80
Eiser, houder van een verblijfsvergunning regulier voor verblijf als gezinslid, kreeg zijn vergunning ingetrokken met terugwerkende kracht vanaf 15 augustus 2018 nadat de gezinsband met zijn echtgenote was verbroken. Verweerder stelde dat eiser niet voldeed aan artikel 6 van Pro Besluit 1/80 omdat hij niet één jaar onafgebroken legale arbeid bij dezelfde werkgever had verricht.
Eiser voerde aan dat hij wel een jaar legale arbeid had verricht en dat de intrekking zijn opgebouwde verblijfsrechten niet mocht aantasten, verwijzend naar arresten van het HvJ EU. Tevens stelde hij dat hij ten onrechte niet was gehoord en dat het gelijkheidsbeginsel was geschonden.
De rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij een jaar bij dezelfde werkgever had gewerkt. De gegevens van Suwinet toonden meerdere werkgevers aan met kortere dienstverbanden. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalde omdat de situaties niet gelijk waren. Ook was het horen niet noodzakelijk omdat het bezwaar geen nieuwe feiten bevatte die tot een ander besluit konden leiden.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees proceskostenveroordeling af. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van de verblijfsvergunning wordt ongegrond verklaard.