ECLI:NL:RBDHA:2021:15487
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep op afgifte verblijfsdocument voor Oekraïense moeder zonder reële afhankelijkheid
Eiseres, een Oekraïense vrouw geboren in 1947, verzocht om afgifte van een verblijfsdocument op grond van artikel 9 van Pro de Vreemdelingenwet 2000, gebaseerd op haar afgeleid verblijfsrecht als ten laste komende van haar in Nederland genaturaliseerde dochter. Verweerder wees dit verzoek af omdat eiseres niet voldeed aan de voorwaarden van reële afhankelijkheid en noodzakelijke steun zoals vereist onder artikel 21 van Pro het EU-Verdrag en artikel 8.7 van het Vreemdelingenbesluit 2000.
Eiseres stelde dat zij financieel en moreel wordt ondersteund door haar dochter, die maandelijks een bedrag reserveert en overmaakt, en dat zij zorgbehoevend is. De rechtbank oordeelde echter dat het bewijs onvoldoende was: de bankafschriften toonden overmaking naar een spaarrekening, maar niet dat het geld bij eiseres terechtkwam. Ook was niet onderbouwd dat eiseres daadwerkelijk langdurig in Nederland verbleef en door haar dochter werd onderhouden.
Daarnaast concludeerde de rechtbank dat eiseres niet aannemelijk had gemaakt dat de steun noodzakelijk is om in haar basisbehoeften te voorzien. Haar inkomen in Oekraïne lag net boven de armoedegrens, maar zij had geen bewijs geleverd van essentiële kosten zoals medicatie. De rechtbank verwierp ook het betoog dat de hoorplicht was geschonden, omdat een hoorzitting niet bedoeld is om nieuwe stukken in te brengen.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om voorlopige voorziening af. Tevens werd het verzoek om vrijstelling van griffierecht toegewezen. Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep van eiseres wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen wegens onvoldoende bewijs van reële afhankelijkheid en noodzakelijke steun.