ECLI:NL:RBDHA:2021:15514
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek opheffing inreisverbod wegens onvoldoende bijzondere omstandigheden
Eiser, houder van de Turkse nationaliteit, had rechtmatig verblijf in Nederland dat is beëindigd en werd ongewenst verklaard. Bij besluit van 21 juni 2013 werd het bezwaar tegen de ongewenstverklaring gegrond verklaard en een tienjarig inreisverbod opgelegd. Eiser verzocht op 3 februari 2020 om opheffing van dit inreisverbod om zich bij zijn partner in België te vestigen.
Verweerder wees dit verzoek af omdat eiser niet voldeed aan de voorwaarden van artikel 6.5b, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 en er geen bijzondere omstandigheden waren die opheffing rechtvaardigen. Eiser stelde dat zijn belangen en familieomstandigheden onvoldoende waren meegewogen en dat hij ten onrechte niet is gehoord.
De rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende bewijs leverde van zijn relatie en dat geen sprake was van beschermenswaardig familieleven in de zin van artikel 8 EVRM Pro. Ook was er geen sprake van schending van de hoorplicht omdat het een rechtstreeks beroep betrof en eiser niet de gevraagde gegevens aanleverde.
Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door rechter L.A. Banga op 15 februari 2021.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van het verzoek tot opheffing van het inreisverbod wordt ongegrond verklaard.