ECLI:NL:RBDHA:2021:15530
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublinverordening
Eiser, een staatloze Bidoen uit Koeweit, diende een asielaanvraag in Nederland in, die door de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid niet in behandeling werd genomen. Dit omdat Duitsland op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn aanvraag, aangezien hij daar eerder een aanvraag had gedaan en de Duitse autoriteiten dit hadden bevestigd via een claimakkoord.
Eiser voerde aan dat de Duitse asielprocedure tekortkomingen kent en dat hij in Nederland betere toelatingsmogelijkheden heeft vanwege zijn staatloosheid. Hij stelde dat terugkeer naar Duitsland tot refoulement naar Koeweit zou leiden, waar zijn leven in gevaar zou zijn. Daarnaast klaagde hij over het ontbreken van een reactiemogelijkheid op aanvullende stukken in de procedure.
De rechtbank oordeelde dat de Staatssecretaris terecht uitging van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en dat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat Duitsland niet zorgvuldig met zijn aanvraag zou omgaan of het verbod op refoulement zou schenden. Ook was het niet aannemelijk dat de Duitse autoriteiten hem niet in staat zouden stellen zijn situatie aan te vechten.
Verder was er geen sprake van onzorgvuldig handelen door de Staatssecretaris door het ontbreken van een reactiemogelijkheid, aangezien eiser in beroep alsnog zijn standpunten kon toelichten. De rechtbank concludeerde dat het beroep ongegrond is en dat de asielaanvraag terecht niet in behandeling is genomen door Nederland.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit om de asielaanvraag niet in behandeling te nemen is ongegrond verklaard.