ECLI:NL:RBDHA:2021:15552
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen beëindiging verblijfsrecht wegens ernstige bedreiging samenleving
De zaak betreft een verzoek om een voorlopige voorziening tegen het besluit van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid om het verblijfsrecht van verzoeker op grond van het Unierecht te beëindigen vanwege een actuele, werkelijke en ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving.
Verzoeker betwist dat hij een dergelijke bedreiging vormt en voert aan dat de beoordeling onvoldoende is gemotiveerd en dat zijn persoonlijke omstandigheden onvoldoende zijn meegewogen. Verzoeker wijst op een afname van strafbare feiten en het ontbreken van zwaardere straffen als indicatie dat hij geen ernstige bedreiging vormt.
De voorzieningenrechter oordeelt echter dat verweerder terecht heeft vastgesteld dat verzoeker, gezien zijn veelvuldige veroordelingen sinds 2017, recente contacten met justitie en persoonlijke omstandigheden zoals een alcoholprobleem en gebrek aan stabiele woon- en werksituatie, een actuele en werkelijke bedreiging vormt. Ook acht de voorzieningenrechter de aard en het aantal strafbare feiten, waaronder geweldsdelicten en winkeldiefstallen, voldoende ernstig.
De belangenafweging leidt tot het oordeel dat het belang van de Nederlandse staat bij handhaving van de openbare orde zwaarder weegt dan het belang van verzoeker. Het bezwaar van verzoeker heeft geen redelijke kans van slagen en het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen. Verzoeker wordt vrijgesteld van griffierecht.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen beëindiging van het verblijfsrecht wordt afgewezen.