ECLI:NL:RBDHA:2021:15583
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vaststelling afwijzing EU-verblijfsdocument en handhaving inreisverbod ondanks beroep op Chavez-Vilchez arrest
Eiser, een Surinaamse nationaliteit, vroeg om een EU-verblijfsdocument op grond van artikel 20 VWEU Pro en het arrest Chavez-Vilchez, stellende dat hij als verzorgende ouder bij zijn Nederlandse dochter moet verblijven. Verweerder wees de aanvraag af en handhaafde het inreisverbod dat tien jaar was opgelegd vanwege eerdere besluiten.
De rechtbank constateerde dat verweerder aanvankelijk niet voldeed aan de motiveringsplicht omtrent de toepassing van artikel 20 VWEU Pro, waardoor het bestreden besluit werd vernietigd. Bij nadere beoordeling oordeelde de rechtbank dat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat zijn dochter zodanig afhankelijk is dat zij de EU zou moeten verlaten bij afwijzing van zijn aanvraag.
Ten aanzien van het verzoek tot opheffing van het inreisverbod oordeelde de rechtbank dat verweerder terecht geen gebruik maakte van zijn beleidsvrijheid om het zwaar inreisverbod op te heffen, mede omdat geen bijzondere omstandigheden waren aangetoond die een afwijking rechtvaardigen. De rechtbank wees het beroep op het EU-criterium en het arrest Chavez-Vilchez af in deze context.
De rechtbank veroordeelde verweerder in de proceskosten van eiser voor het eerste beroep, maar wees het tweede beroep af. De uitspraak bevestigt de strikte toepassing van verblijfsrechtelijke bepalingen en beleidsregels bij inreisverboden en EU-verblijfsdocumenten.
Uitkomst: Het beroep tegen het EU-verblijfsdocument is gegrond verklaard met vernietiging van het besluit, maar de rechtsgevolgen blijven in stand; het beroep tegen het inreisverbod is ongegrond verklaard.