ECLI:NL:RBDHA:2021:15584

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
25 maart 2021
Publicatiedatum
14 februari 2022
Zaaknummer
AWB 20/4805 en 20/4806
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 20 VWEUArt. 4 lid 1 Rijkswet op het Nederlanderschap
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag EU-verblijfsdocument ondanks zorg- en opvoedingstaken wegens onzekerheid Nederlandse nationaliteit kind

Eiseres, een Iraakse vrouw die in Nederland verblijft, heeft een aanvraag ingediend voor een EU-verblijfsdocument op grond van artikel 20 VWEU Pro, gebaseerd op haar zorg- en opvoedingstaken voor haar minderjarige kind dat nog niet de Nederlandse nationaliteit heeft. Verweerder wees de aanvraag af omdat het kind formeel de Iraakse nationaliteit bezit en de erkenning van het juridisch vaderschap van de Nederlandse partner nog niet was afgerond.

De rechtbank oordeelt dat eiseres terecht stelt dat zij daadwerkelijk zorg- en opvoedingstaken verricht en dat er een afhankelijkheidsrelatie bestaat tussen haar en het kind. Dit onderdeel van het besluit is daarom onjuist. Echter, de rechtbank vindt het moment van vaststelling van de Nederlandse nationaliteit van het kind te onzeker en te ver in de toekomst liggen om mee te wegen in de beoordeling.

Daarom blijft de afwijzing van de aanvraag op de juiste gronden in stand. Het verzoek om de zaak aan te houden wordt afgewezen. Eiseres krijgt een proceskostenvergoeding toegekend. De uitspraak is gedaan door de voorzieningenrechter op 25 maart 2021 en kan in hoger beroep worden aangevochten.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard voor de zorg- en opvoedingstaken, maar de afwijzing van de aanvraag blijft in stand vanwege het ontbreken van de Nederlandse nationaliteit van het kind.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummers: AWB 20/4805 en AWB 20/4806
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter van 25 maart 2021 in de zaak tussen

[eiseres] , eiseres/verzoekster

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. R.E. Temmen),
en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. K Elias).

Procesverloop

Bij besluit van 13 februari 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres/verzoekster (hierna te noemen: eiseres) van 16 augustus 2019 tot het verlenen van een EU-verblijfsdocument afgewezen.
Bij besluit van 11 juni 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres kennelijk ongegrond verklaard.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Zij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 december 2020. Eiseres was daarbij aanwezig, bijgestaan door haar gemachtigde. Daarnaast heeft als tolk aan de zitting deelgenomen Z. Karem. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiseres heeft verzocht om vrijstelling van betaling van het griffierecht. De rechtbank wijst dit verzoek toe.
Inleiding
2. Eiseres is geboren op [geboortedatum 1] 1986 en heeft de Iraakse nationaliteit. Zij is in 2017 uit Irak gevlucht en heeft asiel aangevraagd in Nederland. Die aanvraag is afgewezen. Terwijl eiseres in Nederland verbleef heeft zij een relatie gekregen met de heer [A]
,die de Nederlandse nationaliteit heeft, en van wie zij in verwachting is geraakt. Op [geboortedatum 2] 2019 werd hun kind, [naam] , geboren. Eiseres heeft vervolgens op 16 augustus 2019 een aanvraag ingediend voor het verlenen van een EU-verblijfsdocument op basis van het arrest Chavez-Vilchez van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU). [1] Op grond van dit arrest kan een derdelander een verblijfsrecht hebben [2] als die verzorgende ouder is van een minderjarig Nederlands kind, dat op zo’n manier afhankelijk is van de ouder dat het Nederland zou moeten verlaten als de ouder geen verblijf krijgt. Eiseres stelt dat hiervan sprake is omdat zij zodanige zorgtaken aan [naam] verleent dat hij een afhankelijkheidsrelatie met haar heeft.
3. Verweerder heeft deze aanvraag afgewezen, omdat [naam] op het moment dat de aanvraag wordt beoordeeld niet de Nederlandse, maar de Iraakse nationaliteit heeft. In de Basisregistratie Personen (BRP) stond eiseres ten tijde van de geboorte van [naam] namelijk geregistreerd als getrouwd met haar voormalige partner in Irak, zodat [naam] van rechtswege werd geregistreerd als kind van deze man en de Iraakse nationaliteit kreeg. Daarom is niet voldaan aan de voorwaarde dat eiseres ouder is van een (minderjarig) Nederlands kind. Verder heeft eiseres volgens verweerder niet aangetoond dat zij daadwerkelijk dagelijkse zorg- en opvoedingstaken verricht voor haar kind en daarom ook niet dat er sprake is van een afhankelijkheidsverhouding tussen hen.
4. Eiseres is hiertegen in bezwaar gegaan. Zij stelt dat zij er niet van op de hoogte was dat zij als gehuwd stond geregistreerd in de BRP. Ze is na de afwijzing van haar aanvraag een echtscheidingsprocedure gestart als ook een procedure tot ontkenning van het vaderschap van haar voormalige Iraakse echtgenoot en een daarmee samenhangende vaststelling van het vaderschap van de heer [A] . Op het moment dat verweerder de beslissing op bezwaar heeft genomen zijn beide procedures echter nog niet afgerond. Daarnaast heeft eiseres stukken ingediend ter onderbouwing van haar zorgtaken voor [naam] , maar verweerder vindt dit nog steeds onvoldoende. Daarom heeft verweerder de afwijzing van de aanvraag gehandhaafd.
Zorg- en opvoedingstaken en afhankelijkheidsverhouding
5. Verweerder heeft op de zitting aangegeven dat zij niet meer in twijfel trekt dat eiseres zorg- en opvoedingstaken voor haar kind verricht en dat er tussen eiseres en haar kind sprake is van aan afhankelijkheidsrelatie. Dit is daarom niet meer in geschil tussen partijen.
6. De rechtbank is van oordeel dat dit betekent dat de motivering van dit onderdeel van het bestreden besluit onjuist is, en dat eiseres daartegen terecht beroep heeft ingesteld. Wat de gevolgen daarvan zijn voor het besluit in zijn geheel zal de rechtbank hierna beoordelen.
Nederlandse nationaliteit
7. Eiseres voert aan dat het onredelijk is om de aanvraag af te wijzen omdat [naam] nog niet de Nederlandse nationaliteit heeft, terwijl het duidelijk is dat hij deze gaat krijgen. Daarom heeft zij de rechtbank verzocht om deze zaak aan te houden. De echtscheidingsbeschikking is op 3 juni 2020 door de rechtbank afgegeven en op 28 september 2020 ingeschreven in de BRP. De beschikking tot ontkenning van het vaderschap van haar voormalige Iraakse echtgenoot en erkenning van het vaderschap van de heer [A] is op 15 oktober 2020 afgegeven. Het zal daarom volgens eiseres vanaf de datum van deze zitting nog maar een maand duren, tot 15 januari 2021, voordat [naam] de Nederlandse nationaliteit heeft en daarmee wordt voldaan aan alle voorwaarden voor inwilliging van de aanvraag. Eiseres is de dupe geworden van een eerdere advocaat die beide procedures veel te lang heeft laten liggen, reden waarom zij uiteindelijk is overgestapt naar haar huidige advocaat, anders hadden de procedures al lang afgerond kunnen zijn. Daarbij heeft eiseres nog een rapport van Verilabs overgelegd waaruit blijkt dat de heer [A] de biologische vader is van [naam] en een verklaring van Kraamzorg waaruit blijkt dat zij opnieuw van hem in verwachting is.
8. De rechtbank overweegt dat de beroepsgrond en het daaraan gekoppelde verzoek om aanhouding van eiseres neerkomt op een verzoek om het moment van toetsing van de feiten en omstandigheden te verleggen. Verweerder heeft in eerste instantie getoetst naar het moment van de aanvraag en heeft in bezwaar een heroverweging gemaakt waarbij zij moet toetsen naar de feiten en omstandigheden op de datum van de beslissing op bezwaar. De rechtbank moet toetsen of verweerder haar beslissing op bezwaar terecht heeft kunnen nemen op basis van de feiten en omstandigheden van destijds. Verweerder stelt zich terecht op het standpunt dat het kind van eiseres op de datum van de beslissing op bezwaar nog niet de Nederlandse nationaliteit heeft, zodat niet wordt voldaan aan alle voorwaarden voor inwilliging van eiseres’ aanvraag. Verweerder heeft daarbij opgemerkt dat er tussen de indiening van bezwaar van eiseres en de datum van de beslissing op bezwaar een aantal maanden heeft gezeten, zodat de termijn daarmee al opgerekt is. Om de aanstaande Nederlandse nationaliteit van [naam] wel mee te kunnen wegen, zou de rechtbank in feite moeten oordelen dat verweerder toekomstige feiten en omstandigheden had moeten meewegen bij haar beoordeling van de aanvraag van eiseres. Zoals verweerder heeft aangegeven, wordt de erkenning van het juridisch vaderschap van de heer [A] door de rechtbank pas op de eerste dag na drie maanden na de vaststelling daarvan doorgestuurd aan de gemeente. [3] Dat zou zijn op 15 januari 2021. Dat wil echter niet zeggen dat [naam] dan ook op die dag meteen de Nederlandse nationaliteit heeft, zoals eiseres stelt. Daarvoor moet eiseres eerst een afspraak bij de gemeente maken, waarbij de heer [A] zijn kind formeel kan erkennen, waarna de nationaliteit van [naam] formeel wordt vastgesteld. Hoe snel alles verloopt, is dus volledig afhankelijk van de snelheid waarmee eiseres een afspraak op het gemeentekantoor kan maken en een ambtelijke beslissing kan worden genomen. Hier kan nog een bepaalde tijd overheen gaan. Daarom vindt de rechtbank de daadwerkelijke vaststelling van de nationaliteit op het moment van de zitting te onzeker en te ver in de toekomst liggen om die mee te nemen bij de beoordeling van het bestreden besluit. De rechtbank heeft begrip voor de ongelukkige situatie waarin eiseres zich bevindt, maar oordeelt dat er geen aanleiding is om de zaak aan te houden. Tot slot merkt de rechtbank op dat dit niet wegneemt dat eiseres een nieuwe aanvraag kan doen.
Conclusie
9. Het voorgaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat verweerder de aanvraag van eiseres heeft kunnen afwijzen. Gelet op hetgeen de rechtbank heeft overwogen onder 6 is het beroep wel gegrond voor zover gericht tegen het onderdeel opvoedingstaken en afhankelijkheidsrelatie tussen eiseres en haar kind, maar omdat verweerder de aanvraag op de juiste gronden heeft afgewezen kunnen de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven.
10. Vanwege deze beslissing in de hoofdzaak is er geen grond meer voor het treffen van de verzochte voorlopige voorziening, zodat het verzoek wordt afgewezen.
11. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaard, krijgt eiseres een vergoeding voor de proceskosten die zijn gemaakt. Verweerder moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 2 punten op (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting). Die punten hebben een waarde van € 534,- bij een wegingsfactor 1. Toegekend wordt daarom € 1.068,-. Omdat aan eiseres een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit voor zover daarbij de zorg- en opvoedingstaken en afhankelijkheidsrelatie onvoldoende is geacht;
  • bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit in stand blijven;
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.068,-.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Eversteijn, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. E.H.W. Schierbeek, griffier. De beslissing is uitgesproken op 25 maart 2021 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op www.rechtspraak.nl.
De rechter is verhinderd om
deze uitspraak te ondertekenen
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan, voor zover het beroep betreft, binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Voetnoten

1.HvJEU van 10 mei 2017 (ECLI:EU:C:2017:354).
2.Ontleend aan artikel 20 van Pro het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU).
3.Op grond van artikel 4, eerste lid, Rijkswet op het Nederlandschap.