ECLI:NL:RBDHA:2021:15589
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening tegen uitzetting alleenstaande minderjarige vreemdeling
Verzoekster, een alleenstaande minderjarige vreemdeling van Albanese nationaliteit, kreeg op 3 november 2020 een afwijzing op haar aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier met het verblijfsdoel verblijf als AMV die buiten haar schuld niet kan vertrekken. Tegen dit besluit maakte zij bezwaar en verzocht tevens om een voorlopige voorziening om uitzetting te voorkomen.
Tijdens de zitting op 17 maart 2021 gaf verweerder aan dat de gevolgen van het recente arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) in de zaak T.Q. nog onduidelijk zijn en dat er intern beraad plaatsvindt over een nieuwe beleidslijn. Verweerder wilde verzoekster de kans bieden de bezwaarprocedure in Nederland af te wachten.
De voorzieningenrechter overwoog dat het bestreden besluit niet automatisch wordt geschorst bij bezwaar en dat verweerder niet bevoegd is de rechtsgevolgen van het besluit op te schorten. Omdat partijen het erover eens waren dat voorlopig niet tot uitzetting mocht worden overgegaan, werd het verzoek om voorlopige voorziening toegewezen en uitzetting verboden tot twee weken na beslissing op bezwaar.
Verweerder werd veroordeeld in de proceskosten en moest het griffierecht aan verzoekster vergoeden. Het arrest T.Q. speelt een rol omdat daarin is bepaald dat bij terugkeerbesluiten aan niet-begeleide minderjarigen eerst moet worden onderzocht of adequate opvang in het land van herkomst is gewaarborgd, hetgeen volgens verzoekster niet is gebeurd.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt toegewezen en uitzetting van verzoekster wordt verboden tot twee weken na beslissing op bezwaar.