ECLI:NL:RBDHA:2021:15592
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening in asielzaak wegens Dublin-verantwoordelijkheid Zweden
Verzoeker heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Deze aanvraag werd door de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid niet in behandeling genomen met de motivering dat Zweden verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag op grond van het Dublin-verdrag.
De rechtbank heeft eerder op 19 januari 2021 het eerste besluit vernietigd en de Staatssecretaris opgedragen een nieuw besluit te nemen. Bij het bestreden besluit van 4 maart 2021 werd wederom de aanvraag niet in behandeling genomen met dezelfde motivering.
Verzoeker stelde beroep in tegen dit besluit en verzocht tevens om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter behandelde dit verzoek samen met een vergelijkbare zaak (NL21.3217). Gezien de uitspraak in die zaak werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen omdat deze niet langer noodzakelijk was.
Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak is gedaan door voorzieningenrechter L.A. Banga en griffier T.R. Oosterhoff-Vos op 26 maart 2021. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat de rechtbank reeds uitspraak heeft gedaan over het beroep.