ECLI:NL:RBDHA:2021:15593
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening en belangen minderjarig kind
Eiser en zijn minderjarige zoon hebben een asielaanvraag gedaan in Zweden en vervolgens zijn zij naar Nederland gereisd, waar eiser een asielaanvraag indiende. De staatssecretaris nam deze aanvraag niet in behandeling op grond van de Dublinverordening, omdat Zweden verantwoordelijk zou zijn voor de behandeling. De rechtbank vernietigde eerder een besluit van de staatssecretaris wegens onvoldoende motivering omtrent het belang van het kind en gaf opdracht tot heroverweging.
Bij het bestreden besluit bleef de staatssecretaris bij zijn standpunt dat Zweden verantwoordelijk is, waarbij hij het belang van het kind heeft betrokken door onder meer te verwijzen naar het interstatelijk vertrouwensbeginsel en het Haagse kinderontvoeringsverdrag. De rechtbank oordeelt dat de staatssecretaris binnen zijn mogelijkheden voldoende rekening heeft gehouden met het welzijn en de sociale ontwikkeling van het kind, ondanks het ontbreken van medische rapportages.
De rechtbank stelt dat het belang van het kind primair is gewaarborgd door de verantwoordelijkheid van Zweden, die is bevestigd door de Zweedse autoriteiten. Er is geen sprake van bijzondere omstandigheden die een nationale behandeling rechtvaardigen. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en het besluit van de staatssecretaris blijft in stand.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit om de asielaanvraag niet in behandeling te nemen blijft in stand.