ECLI:NL:RBDHA:2021:15616
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Toewijzing voorlopige voorziening tegen afwijzing verblijfsvergunning regulier voor familieleven
Verzoekster diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor het doel familieleven met haar minderjarige zoon. De aanvraag werd door verweerder afgewezen omdat verzoekster geen geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) had en haar zoon geen geldige verblijfsvergunning. Verzoekster maakte bezwaar en verzocht om een voorlopige voorziening tegen uitzetting.
De voorzieningenrechter oordeelde dat verweerder ten onrechte geen belangenafweging had gemaakt op grond van artikel 8 EVRM Pro, omdat de zoon bezwaar had gemaakt tegen de intrekking van zijn verblijfsvergunning en daarmee nog rechtmatig verblijf had. Hierdoor was het primaire besluit onvoldoende gemotiveerd en onzorgvuldig voorbereid.
De voorzieningenrechter achtte het spoedeisend belang voldoende aangetoond en kon niet uitsluiten dat het bezwaar redelijke kans van slagen had. Daarom werd de voorlopige voorziening toegewezen, waardoor uitzetting van verzoekster werd voorkomen tot vier weken na beslissing op bezwaar. Tevens werd verweerder veroordeeld in de proceskosten en verzoekster vrijgesteld van griffierecht.
Uitkomst: De voorlopige voorziening wordt toegewezen en uitzetting van verzoekster wordt opgeschort tot vier weken na beslissing op bezwaar.