ECLI:NL:RBDHA:2021:15623
Rechtbank Den Haag
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Verzoek tot vergoeding kosten raadsman na sepot strafzaak afgewezen voor deel kosten
Verzoeker vroeg vergoeding van de kosten van zijn advocaat ten laste van de Staat na het seponeren van zijn strafzaak. De officier van justitie stelde niet-ontvankelijkheid wegens ontbrekende handtekening en voerde subsidiar een matiging van de kosten aan.
De rechtbank oordeelde dat het bezwaar tegen ontvankelijkheid was weggenomen doordat de bewindvoerder zich achter het verzoek schaarde. De rechtbank overwoog dat vergoeding van kosten na sepot alleen mogelijk is voor werkzaamheden tot en met de datum van het sepot, en dat extra tijd die de advocaat daarna besteedde niet voor vergoeding in aanmerking komt.
Daarnaast werd een hoog uurtarief van €300,- bij geen succes niet aanvaard, omdat dit leidt tot een onredelijke situatie waarbij de Staat bij vrijspraak meer betaalt dan een veroordeelde cliënt. De rechtbank kende een vergoeding toe van €1.125,- voor werkzaamheden tot sepot en €680,- voor de kosten van het verzoek zelf, in totaal €1.805,-.
Uitkomst: De rechtbank kent een vergoeding van €1.805,- toe voor advocatenkosten tot sepot en de procedurekosten, wijst het meerdere af.