ECLI:NL:RBDHA:2021:15631
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening in asielzaak Nigeriaanse verzoeker
Verzoeker, van Nigeriaanse nationaliteit, had een aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend die door de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid op 10 maart 2021 werd afgewezen als kennelijk ongegrond. Verzoeker stelde beroep in tegen dit besluit en vroeg de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening.
De zitting vond plaats op 31 maart 2021 te Utrecht, waarbij verzoeker werd bijgestaan door een gemachtigde en een tolk aanwezig was. De zaak werd samen behandeld met een gerelateerde zaak (NL21.3947). Op dezelfde dag als deze uitspraak werd in de hoofdzaak uitspraak gedaan, waardoor een voorlopige voorziening niet langer noodzakelijk was.
De voorzieningenrechter oordeelde daarom dat het verzoek om voorlopige voorziening moest worden afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak is gedaan op 6 april 2021 en is niet vatbaar voor hoger beroep of verzet.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat de hoofdzaak reeds is behandeld.