ECLI:NL:RBDHA:2021:15636
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen weigering opvolgende asielaanvraag op grond van Dublinverordening
Eiser diende een opvolgende asielaanvraag in Nederland in, maar deze werd niet in behandeling genomen omdat Zwitserland volgens de Dublinverordening verantwoordelijk is voor zijn asielaanvraag. Eiser betoogde dat hij in Zwitserland gevaar loopt door het Soedanese regime en dat de Zwitserse autoriteiten hem niet kunnen beschermen. Hij overhandigde twintig bewijsstukken ter onderbouwing.
De rechtbank oordeelde dat de vraag of eiser gevaar loopt in Zwitserland niet in deze Dublinprocedure aan de orde is, maar of Zwitserland verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. De rechtbank volgde de staatssecretaris dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel geldt en dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat Zwitserland hem geen bescherming kan bieden.
Verder concludeerde de rechtbank dat de staatssecretaris terecht heeft afgezien van een nader gehoor omdat de nieuwe stukken geen nieuw licht wierpen op de bezwaren. Ook werd geoordeeld dat er geen sprake is van een schending van artikel 3 EVRM Pro. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van de opvolgende asielaanvraag is ongegrond verklaard omdat Zwitserland verantwoordelijk blijft en geen schending van artikel 3 EVRM is vastgesteld.