ECLI:NL:RBDHA:2021:15643
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond verklaring beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid om zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel niet in behandeling te nemen, omdat Duitsland verantwoordelijk zou zijn voor de behandeling op grond van de Dublinverordening.
De rechtbank overweegt dat uit Eurodac-gegevens blijkt dat eiser in Duitsland asielaanvragen heeft ingediend en dat de registratie van internationale bescherming in Eurodac is aangepast. Artikel 13 van Pro de Dublinverordening is niet van toepassing omdat eiser daadwerkelijk asielaanvragen in Duitsland heeft ingediend.
Eiser voerde aan dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet geldt omdat hij in Duitsland geen inhoudelijke beoordeling heeft gehad en risico loopt op indirecte uitzetting (refoulement). De rechtbank oordeelt dat verweerder terecht mag uitgaan van het vertrouwensbeginsel en dat er geen concrete aanwijzingen zijn dat Duitsland zijn internationale verplichtingen niet nakomt.
Verder is het Duitse systeem van rechtsbijstandverlening in overeenstemming met de Procedurerichtlijn en het Handvest van de grondrechten van de EU. Eiser heeft onvoldoende onderbouwd dat hij in Duitsland geen bescherming kan krijgen tegen discriminatie of dat hij geen toegang heeft tot rechtsmiddelen.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst het verzoek om proceskostenveroordeling af.
Uitkomst: Het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van zijn asielaanvraag wordt ongegrond verklaard.