ECLI:NL:RBDHA:2021:15649
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening verblijf bij chronisch zieke zoon wegens ontbreken meer dan gebruikelijke afhankelijkheid
Verzoekster, van Marokkaanse nationaliteit, heeft een aanvraag tot verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd afgewezen gekregen omdat zij niet voldeed aan het mvv-vereiste. Zij wenst verblijf bij haar meerderjarige, chronisch zieke zoon in Nederland om voor hem te zorgen. De voorzieningenrechter oordeelt dat er geen sprake is van meer dan gebruikelijke afhankelijkheid tussen verzoekster en haar zoon, waardoor geen vrijstelling van het mvv-vereiste op grond van artikel 8 EVRM Pro gerechtvaardigd is.
De voorzieningenrechter neemt de medische situatie van de zoon en de zorgbehoefte in aanmerking, maar stelt vast dat de zorg ook door anderen kan worden geleverd en dat er geen exclusieve afhankelijkheid is. Daarnaast is het beroep op het opgebouwde privéleven in Nederland onvoldoende om uitzetting te voorkomen, mede vanwege de sterke band met Marokko en het feit dat verzoekster pas recent naar Nederland is gekomen.
Het beroep op de hardheidsclausule en artikel 4:84 Awb Pro wordt eveneens verworpen omdat de omstandigheden niet bijzonder genoeg zijn. Gezien het ontbreken van een redelijke kans van slagen van het bezwaar wordt het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening voor verblijf bij de chronisch zieke zoon wordt afgewezen wegens ontbreken van meer dan gebruikelijke afhankelijkheid en geen schending van artikel 8 EVRM.