ECLI:NL:RBDHA:2021:15665
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond wegens niet-verschoonbare te late verlengingsaanvraag verblijfsvergunning minderjarige
Betrokkene, een minderjarige van Marokkaanse nationaliteit, had een verblijfsvergunning geldig tot 6 december 2019. De aanvraag tot verlenging werd pas op 21 januari 2020 ontvangen, wat te laat was. Verweerder verleende weliswaar een nieuwe vergunning, maar met een verblijfsgat tussen 6 december 2019 en 21 januari 2020.
Eiser, als wettelijk vertegenwoordiger, voerde aan dat hij geen herinneringsbrief ontving en dat op 5 december 2019 een pasfoto en vingerafdrukken waren genomen, waardoor hij dacht dat de aanvraag compleet was. De rechtbank oordeelde dat het de eigen verantwoordelijkheid van eiser was om tijdig te verlengen en dat het ontbreken van een herinneringsbrief geen verschoonbare reden vormt.
Daarnaast had de moeder van betrokkene op 29 november 2019 contact met de IND en was geïnformeerd over de procedure. De rechtbank vond dat eiser had moeten begrijpen dat de aanvraag pas compleet was na het indienen van het formulier en betaling van leges. Ook het beroep op het Unierecht werd verworpen omdat geen aanvraag daartoe was ingediend.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees een proceskostenveroordeling af. De uitspraak werd gedaan door rechter Schaaf op 25 maart 2021.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard omdat de te late verlengingsaanvraag niet verschoonbaar was.