ECLI:NL:RBDHA:2021:15669
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielaanvraag wegens onvoldoende geloofwaardigheid van vrees voor vervolging in Iran
Eisers, beiden Iraanse nationaliteit, vroegen asiel aan in Nederland nadat zij Iran legaal hadden verlaten uit vrees voor bedreigingen en ontvoering door een hooggeplaatst persoon, [A], en mogelijke vervolging door Iraanse autoriteiten. Eisers stelden dat zij vanwege hun weigering om voor [A] te werken en hun vermeende betrokkenheid bij spionage gevaar liepen.
De Staatssecretaris wees de aanvragen af wegens onvoldoende geloofwaardigheid. De rechtbank oordeelde dat de door eisers overgelegde documenten onvoldoende bewijs boden voor de gestelde problemen met [A] en de Iraanse overheid. Tegenstrijdigheden in verklaringen over werkzaamheden en het ontbreken van ondersteunende documenten, zoals een paspoort of dagvaarding, ondermijnden de geloofwaardigheid.
Eisers voerden aan dat zij niet tijdig waren gehoord over twijfels over hun dienstverband en dat het Iraanse rechtssysteem corrupt is, waardoor bewijs moeilijk te verkrijgen is. De rechtbank vond echter dat de werkrelatie een feitelijke omstandigheid is die eisers zelf moeten onderbouwen en dat de Staatssecretaris terecht twijfelde aan de geloofwaardigheid.
De rechtbank concludeerde dat de asielaanvragen terecht als ongegrond zijn afgewezen en verklaarde het beroep ongegrond. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvragen wordt ongegrond verklaard.