ECLI:NL:RBDHA:2021:15680
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vreemdelingenwet wegens medische situatie en coronapandemie
Eiser, van Afghaanse nationaliteit, diende op 7 februari 2020 een aanvraag in voor uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees deze aanvraag bij besluit van 23 maart 2020 af, waarna eiser bezwaar maakte. Dit bezwaar werd eveneens ongegrond verklaard bij besluit van 9 juli 2020. Eiser stelde beroep in tegen dit bestreden besluit.
Het Bureau Medische Advisering (BMA) bracht advies uit waaruit bleek dat eiser lijdt aan levercirrose, posttraumatische stressstoornis en depressieve stoornis, maar medisch in staat is te reizen. De rechtbank overwoog dat het BMA geen medische noodsituatie op korte termijn verwacht bij uitblijven van behandeling en dat eiser geen concrete aanwijzingen gaf die het advies zouden ondermijnen.
Eiser voerde aan dat vanwege de coronapandemie en de situatie in Afghanistan het uitstel van vertrek gerechtvaardigd was, onder meer vanwege het risico op schending van artikel 3 EVRM Pro en de opschorting van verwijderingen door EU-lidstaten. De rechtbank oordeelde dat de tijdelijke reisbeperkingen geen reden zijn om het besluit te schorsen en dat onzekerheid over besmettingsrisico in Afghanistan geen grond is voor uitstel.
De rechtbank stelde vast dat de vraag of artikel 15 van Pro de Kwalificatierichtlijn van toepassing is, niet in deze procedure beoordeeld wordt. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit tot afwijzing van uitstel van vertrek wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.