Eisers, van Pakistaanse nationaliteit en met minderjarige kinderen, werden op 16 maart 2021 in bewaring gesteld op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 vanwege een concreet aanknopingspunt voor overdracht onder de Dublinverordening en een significant risico op onttrekking aan toezicht.
Na opheffing van de bewaring op 22 maart 2021, richt het geschil zich op de vraag of de tenuitvoerlegging van de bewaring onrechtmatig was en of eisers recht hebben op schadevergoeding. De rechtbank oordeelt dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd dat eisers onder de Dublinverordening vallen, mede vanwege verlenging van de overdrachtsdatum.
De rechtbank stelt vast dat de zware gronden onder 3a (onrechtmatige inreis) en 3k (weigering medewerking aan overdracht, waaronder coronatest) feitelijk juist en voldoende gemotiveerd zijn. Eisers konden geen legale inreis aantonen en weigerden medewerking aan de coronatest, wat noodzakelijk was voor overdracht.
De belangenafweging door verweerder was zorgvuldig, waarbij ook de medische omstandigheden en het belang van de kinderen zijn meegewogen. De rechtbank concludeert dat de bewaring noodzakelijk was en dat het beroep ongegrond is. Het verzoek om schadevergoeding wordt eveneens afgewezen.