ECLI:NL:RBDHA:2021:15719
Rechtbank Den Haag
- Tussenuitspraak
- Rechtspraak.nl
Tussenuitspraak inzake intrekking verblijfsvergunning en afhankelijkheidsrelatie meervoudig gehandicapt kind
Eiser, van Colombiaanse nationaliteit, kreeg in 2006 een ongewenstverklaring en werd in 2011 uitgezet. Na opheffing van deze verklaring in 2017 keerde hij terug naar Nederland en had rechtmatig verblijf op basis van een relatie die later verbroken werd. De verblijfsvergunning werd op 24 juni 2020 ingetrokken omdat eiser niet langer voldeed aan de voorwaarden waaronder deze was verleend.
In beroep stond centraal of eiser verblijfsrecht toekomt op grond van het arrest Chavez Vilchez of artikel 8 EVRM Pro, vanwege zijn meervoudig gehandicapte zoon die hij erkend heeft. De IND stelde dat eiser onvoldoende aantoonde dat hij daadwerkelijke, structurele zorg- en opvoedingstaken verricht en dat er geen zodanige afhankelijkheidsrelatie bestaat dat de zoon het EU-grondgebied zou moeten verlaten.
De rechtbank oordeelde dat het bewijs onvoldoende was om van een dergelijke afhankelijkheidsrelatie te spreken. Wel constateerde zij een motiveringsgebrek in het besluit van verweerder met betrekking tot het gezinsleven met de pasgeboren dochter, waarvan de zwangerschap al bekend was bij het besluit. Daarom werd verweerder in de gelegenheid gesteld het besluit te herstellen binnen zes weken. De voorlopige voorziening werd toegewezen en het bestreden besluit geschorst tot vier weken na de einduitspraak.
Uitkomst: De rechtbank schorst de intrekking van de verblijfsvergunning en geeft verweerder zes weken om het motiveringsgebrek te herstellen.