AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Afwijzing verblijfsvergunning op grond van Afsluitingsregeling wegens onrechtmatig verblijf en belangenafweging artikel 8 EVRM
Eiseres, een Armeense vrouw geboren in 1999, heeft in februari 2019 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning op grond van de Afsluitingsregeling langdurig verblijvende kinderen. De Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) wees deze aanvraag af omdat eiseres niet voldeed aan het machtiging tot voorlopig verblijf (mvv)-vereiste en zich langer dan drie maanden aan toezicht had onttrokken. Tevens werd een inreisverbod opgelegd.
Eiseres voerde aan dat zij geworteld is in Nederland, hier haar diploma’s behaalde, een sociaal leven en partner heeft, en nooit met justitie in aanraking kwam. Zij stelde dat de keuzes van haar ouders haar niet konden worden toegerekend en verwees naar het arrest Butt tegen Noorwegen van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. De rechtbank oordeelde echter dat de keuzes van haar ouders wel aan haar kunnen worden toegerekend, mede omdat zij en haar gezinsleden nooit rechtmatig verblijf hadden gehad.
De rechtbank stelde vast dat artikel 8 EVRMPro slechts onder bijzondere omstandigheden verplicht tot voortzetting van het privéleven in Nederland, en dat de omstandigheden van eiseres niet als zodanig konden worden aangemerkt. De IND mocht ook betrekken dat eiseres, ondanks de moeilijkheden, in Armenië een nieuw leven kan opbouwen met ondersteuning van familie. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de verblijfsvergunning wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummers: AWB 20/8730 en AWB 20/8731
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter van 30 april 2021 in de zaak tussen
[eiseres] , geboren op [geboortedatum] 1999, van Armeense nationaliteit, eiseres/verzoekster,
V-nummer: [V-nummer] hierna: eiseres
(gemachtigde: mr. B.D. Lit),
en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. M.M. van Duren).
Inleiding en procesverloop
Eiseres heeft op 22 februari 2019 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning onder de beperking ‘niet-tijdelijke humanitaire gronden op grond van de Afsluitingsregeling langdurig verblijvende kinderen’ (Afsluitingsregeling).
Verweerder (hierna: de IND) heeft de aanvraag afgewezen. Eiseres is niet in het bezit van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv). De IND vindt dat het mvv-vereiste voor eiseres niet onredelijk hard is omdat eiseres niet voldoet aan voorwaarde c van de Afsluitingsregeling, omdat zij zich langer dan drie maanden heeft onttrokken aan het toezicht van de IND [1] , DT&V [2] , COA [3] of AVIM [4] . Daarnaast zijn de contra-indicaties onder e en f van toepassing, omdat eiseres niet beschikbaar is geweest in het kader van vertrek en omdat eiseres de Europese Unie heeft verlaten. Volgens de IND is de weigering om eiseres vrij te stellen van het mvv-vereiste ook niet in strijd met het familie- en gezinsleven of het privéleven [5] van eiseres. Bij aanvullend besluit van 8 januari 2020 heeft de IND tegen eiseres een inreisverbod uitgevaardigd.
3. Eiseres is het niet eens met de beslissing van de IND en heeft daarom bezwaar en – nadat het bezwaar op 25 november 2020 ongegrond was verklaard – beroep daartegen ingesteld. Ook heeft zij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
4. Het beroep en het verzoek zijn op 30 april 2021 ter zitting behandeld. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. De IND heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
5. Na afloop heeft de rechtbank/voorzieningenrechter onmiddellijk mondeling uitspraak gedaan.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Overwegingen
6. De rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) geeft hiervoor de volgende motivering.
7. Eiseres heeft verzocht om vrijstelling van de verplichting tot het betalen van het griffierecht. De rechtbank ziet aanleiding om dit verzoek toe te wijzen. Eiseres hoeft daarom geen griffierecht te betalen.
8. De rechtbank stelt vast dat alleen in geschil is of de IND de belangenafweging in het kader van artikel 8 vanPro het EVRM, over het privéleven van eiseres, in het nadeel van eiseres heeft mogen laten uitvallen.
9. Eiseres heeft aangevoerd dat zij in Nederland geworteld is, dat zij is verwesterd en dat zij bijna haar hele leven in Nederland heeft gewoond. Verder heeft zij in Nederland haar diploma’s gehaald en heeft zij een sociaal leven en een partner in Nederland. Ook is eiseres nooit in aanraking gekomen met justitie.
10. De rechtbank overweegt dat eiseres nooit rechtmatig verblijf heeft gehad in Nederland. In zo’n situatie verplicht artikel 8 vanPro het EVRM de IND slechts onder bijzondere omstandigheden tot het laten voortzetten van het privéleven in Nederland. De IND heeft zich op het standpunt mogen stellen dat de door eiseres genoemde omstandigheden geen bijzondere omstandigheden zijn, omdat het inherent is aan haar lange, feitelijke verblijf in Nederland dat eiseres hier geworteld is en privéleven heeft opgebouwd. Verder is het ook geen bijzondere omstandigheid dat eiseres niet in aanraking is gekomen met justitie, omdat het uitgangspunt is dat mensen niet in aanraking komen met justitie. Deze omstandigheden verplichten de IND daarom er niet toe om aan eiseres op grond van artikel 8 vanPro het EVRM verblijf toe te staan.
11. Eiseres heeft aangevoerd dat de keuzes van haar ouders niet aan haar kunnen worden toegerekend. Eiseres heeft er niet zelf voor gekozen om haar privéleven in Nederland op te bouwen tijdens illegaal verblijf. Eiseres heeft daarbij verwezen naar het arrest Butt tegen Noorwegen van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. [6]
12. Uit het arrest Butt volgt dat de keuzes van ouders van een vreemdeling in bepaalde situaties aan de vreemdeling kunnen worden toegerekend. De rechtbank oordeelt dat in het geval van eiseres de keuzes van haar ouders aan eiseres kunnen worden toegerekend. Een groot verschil met de zaak die speelde in het arrest Butt, is dat eiseres en haar gezinsleden nooit een verblijfsvergunning hebben gehad in Nederland. De vreemdelingen in de zaak Butt hadden wel gedeeltelijk rechtmatig verblijf gehad in Noorwegen. Ook heeft de IND van belang mogen vinden dat het niet te wijten is aan de Nederlandse overheid dat eiseres haar privéleven heeft kunnen intensiveren gedurende onrechtmatig verblijf. Eiseres is in 2014 uitgezet naar Armenië en haar moeder en zij hebben er zelf voor gekozen om terug te keren naar Nederland om opnieuw in de illegaliteit te leven.
13. Eiseres heeft verder aangevoerd dat de IND ten onrechte heeft gesteld dat zij (opnieuw) een sociaal leven kan opbouwen in Armenië. Uit het verslag van de hoorzitting blijkt dat het haar in de periode dat zij in Armenië woonde niet gelukt is om een sociaal leven op te bouwen.
14. De rechtbank oordeelt dat de IND bij zijn beslissing heeft mogen betrekken dat niet is gebleken dat eiseres niet kan terugkeren naar Armenië. De IND heeft mogen betrekken dat de terugkeer naar Armenië voor eiseres weliswaar a certain degree of hardshipmet zich zal brengen, maar dat van eiseres mag worden verwacht dat zij, ook gelet op haar leeftijd, in Armenië een nieuw leven kan opbouwen. Daarbij is ook van belang dat haar ouders en oma in Armenië wonen en haar hierbij wellicht kunnen ondersteunen.
15. De rechtbank komt tot de conclusie dat de IND de belangenafweging in het nadeel van eiseres heeft mogen laten uitvallen en de aanvraag van eiseres heeft mogen afwijzen. Het beroep is ongegrond.
16. Omdat de rechtbank heeft beslist op het beroep, heeft eiseres geen belang meer bij de verzochte voorlopige voorziening. Dit verzoek wordt daarom afgewezen.
17. Omdat het beroep ongegrond is en het verzoek wordt afgewezen, is er geen reden om de IND te veroordelen in de proceskosten.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.G. Nicholson, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. E. Diele, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 april 2021 en zal ook worden gepubliceerd op rechtspraak.nl
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan, voor zover het beroep betreft, binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Voetnoten
1.Immigratie- en Naturalisatiedienst.
2.Dienst Terugkeer & Vertrek.
3.Centraal Orgaan opvang asielzoekers.
4.Afdeling Vreemdelingenpolitie, Identificatie en Mensenhandel.
5.Zoals bedoeld in artikel 8 vanPro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
6.Arrest van 4 december 2012, ECLI:CE:ECHR:2012:1204JUD004701709.