ECLI:NL:RBDHA:2021:15725
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Toewijzing voorlopige voorziening tegen uitzettingsbesluit vreemdeling
Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van verweerder om geen uitstel van vertrek te verlenen op grond van artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Na afwijzing van het bezwaar heeft verzoeker beroep ingesteld bij de rechtbank en tegelijkertijd een voorlopige voorziening gevraagd. De voorzieningenrechter overweegt dat verzoeker geen rechtmatig verblijf heeft en uitgezet kan worden, maar dat uitzetting op dit moment moet worden verboden omdat tussen partijen is komen vast te staan dat uitzetting op dit moment niet passend is.
Verweerder verzet zich niet tegen de toewijzing van het verzoek om voorlopige voorziening, mede omdat hij een aanvullend medisch advies wil inwinnen. De voorzieningenrechter bepaalt dat uitzetting verboden is tot vier weken na de uitspraak op het beroep. Het beroep wordt aangehouden totdat het aanvullende advies is ontvangen.
Daarnaast wordt verweerder veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van verzoeker en het betaalde griffierecht. Er is geen mogelijkheid tot hoger beroep tegen deze uitspraak.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt toegewezen en uitzetting van verzoeker wordt verboden tot vier weken na uitspraak op het beroep.