Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
[verzoekster], verzoekster,
[B]V-nummer: [V-nummer 4] en
[C], V-nummer: [V-nummer 5] , hierna gezamenlijk: verzoekers (gemachtigde: mr. R.P.M. Ngasirin),
Rechtbank Den Haag
Verzoekers hebben asielaanvragen ingediend die door de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid niet in behandeling zijn genomen op grond van de Dublin-verordening, waarbij Roemenië als verantwoordelijke lidstaat wordt aangewezen.
Tegen deze besluiten zijn beroepen ingesteld en tevens is een verzoek om voorlopige voorziening ingediend. Tijdens de zitting op 4 mei 2021 waren verzoekers en hun gemachtigde niet aanwezig, terwijl de gemachtigde van de Staatssecretaris wel aanwezig was.
De voorzieningenrechter heeft in samenhang met andere zaken geoordeeld dat een voorlopige voorziening niet langer noodzakelijk is en heeft het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door voorzieningenrechter P.J.M. Mol en griffier T.R. Oosterhoff-Vos op 6 mei 2021.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvragen is afgewezen.