ECLI:NL:RBDHA:2021:15750
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid beroep tegen afwijzing verblijfsvergunning asiel wegens vertrek met onbekende bestemming
Eiser, van Oezbeekse nationaliteit, diende op 19 juli 2020 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees deze aanvraag bij besluit van 27 november 2020 af als ongegrond. Eiser stelde hiertegen beroep in bij de rechtbank.
Tijdens de zitting op 29 maart 2021 was eiser niet aanwezig en had zijn gemachtigde zich afgemeld. De gemachtigde gaf aan geen contact meer te hebben met eiser, die volgens de Staatssecretaris sinds 25 januari 2021 met onbekende bestemming is vertrokken. De rechtbank overwoog dat bij vertrek met onbekende bestemming zonder contact te onderhouden met de gemachtigde, wordt aangenomen dat eiser geen prijs meer stelt op de aanvankelijk gezochte bescherming.
Daarom concludeerde de rechtbank dat eiser geen rechtens te beschermen belang meer heeft bij een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep en verklaarde het beroep niet-ontvankelijk. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat eiser Nederland met onbekende bestemming heeft verlaten en geen contact onderhoudt met zijn gemachtigde.