Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 mei 2021 in de zaak tussen
[eiseres] , geboren op [geboortedatum] 1979, eiseres,
de Minister van Buitenlandse Zaken, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
.
Rechtbank Den Haag
Eiseres, met de Marokkaanse nationaliteit, vroeg op 10 februari 2020 een visum kort verblijf aan. Dit werd op 21 februari 2020 afgewezen wegens onvoldoende aantonen van het doel van het verblijf, onvoldoende middelen van bestaan en onvoldoende bewijs van terugkeerintentie. Het bezwaar werd op 17 juni 2020 kennelijk ongegrond verklaard omdat eiseres werd beschouwd als een bedreiging voor de volksgezondheid vanwege de coronapandemie, op grond van artikel 32 van Pro de Visumcode.
Eiseres stelde dat verweerder haar individuele situatie onvoldoende had beoordeeld en dat zij bereid was tot een coronatest of quarantaine. Ook stelde zij dat de hoorplicht was geschonden en dat verweerder ten onrechte een andere grondslag gebruikte in het bestreden besluit. De rechtbank oordeelde dat de beoordeling van verweerder voldoende individueel was, gezien de aard van het coronavirus, de genomen maatregelen en het Europese inreisverbod.
De rechtbank benadrukte dat zij slechts terughoudend toetst en dat verweerder niet gebonden is aan de argumenten in het bezwaar. De hoorplicht werd niet geschonden omdat het bezwaar kennelijk ongegrond was. De rechtbank verwierp het beroep en bevestigde de rechtmatigheid van het bestreden besluit.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van het visum kort verblijf wordt ongegrond verklaard vanwege een individueel gevaar voor de volksgezondheid door het coronavirus.