Eiser heeft op 2 september 2020 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als doel arbeid als zelfstandige bij een bakkerij. Verweerder heeft dit primaire besluit op 9 oktober 2020 afgewezen wegens het ontbreken van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf en onvoldoende onderbouwing van de aanvraag met de vereiste bewijsstukken.
Eiser maakte bezwaar en verzocht om een voorlopige voorziening, maar verweerder verklaarde het bezwaar ongegrond bij besluit van 19 november 2020. Eiser stelde beroep in tegen dit bestreden besluit. Tijdens de zitting op 11 maart 2021 verschenen eiser en zijn gemachtigde niet, waarna de rechtbank het beroep ongegrond verklaarde en het verzoek om voorlopige voorziening afwees.
De rechtbank overwoog dat eiser onvoldoende bewijs had geleverd, met name ontbrak een KvK-uittreksel dat noodzakelijk is om aan te tonen dat hij eigenaar of vennoot is van de bakkerij. Het uittreksel dat in beroep werd overgelegd kon niet worden meegewogen vanwege de ex tunc-toets. Hoewel eiser mogelijk stukken had ingediend bij het loket, had verweerder hem herstel van verzuim moeten aanbieden, maar de rechtbank oordeelde dat het op de weg van eiser lag om de aanvraag correct te onderbouwen.
Gezien het ontbreken van de vereiste bewijsstukken en het feit dat eiser voldoende gelegenheid had gehad om deze aan te leveren, was de afwijzing terecht. Er was ook geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Het verzoek om voorlopige voorziening werd afgewezen omdat het beroep ongegrond was verklaard.