Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
[eiser] , eiser V-nummer: [V-nummer]
Procesverloop
Overwegingen
Detentieomstandigheden
Rechtbank Den Haag
Eiser, van Gambiaanse nationaliteit, verzocht om een verblijfsvergunning asiel, nadat hij Gambia ontvlucht was vanwege een strafrechtelijk incident waarbij hij zijn pasgeboren kind had gedood. De aanvraag werd door de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid afgewezen, waarna eiser beroep instelde bij de rechtbank.
De rechtbank beoordeelde het asielrelaas als geloofwaardig, maar stelde vast dat eiser niet als verdragsvluchteling kon worden aangemerkt. Eiser voerde aan dat hij bij terugkeer een reëel risico loopt op onmenselijke behandeling in strijd met artikel 3 EVRM Pro, vanwege slechte detentieomstandigheden en de mogelijkheid van de doodstraf.
De rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij persoonlijk een reëel risico loopt op de doodstraf, mede omdat het strafbare feit werd gepleegd als minderjarige en de Childrens Act de doodstraf voor minderjarigen uitsluit. Ook achtte de rechtbank de detentieomstandigheden niet zodanig onmenselijk dat artikel 3 EVRM Pro wordt geschonden, mede vanwege verbeteringen in gevangenissen en maatregelen tegen COVID-19.
Daarom verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond en wees de asielaanvraag af. Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende aannemelijk gemaakt risico op onmenselijke behandeling of doodstraf.