ECLI:NL:RBDHA:2021:15792
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen uitzettingsbesluit in vreemdelingenrecht
Verzoekster, van Nigeriaanse nationaliteit, had een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor het doel 'humanitair tijdelijk'. Deze aanvraag werd op 30 januari 2020 afgewezen door de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Verzoekster maakte bezwaar tegen dit besluit, maar dit bezwaar werd bij besluit van 14 juli 2020 ongegrond verklaard. Vervolgens stelde zij beroep in bij de rechtbank.
Verzoekster vroeg de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen, zodat haar uitzetting zou worden opgeschort totdat op het beroep in de hoofdzaak was beslist. De rechtbank oordeelde echter dat het beroep in de hoofdzaak ongegrond was verklaard door de meervoudige kamer, waardoor geen grond meer bestond voor het treffen van een voorlopige voorziening.
Daarnaast verzocht verzoekster om vrijstelling van griffierecht voor zowel de beroepsprocedure als de voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter volgde de meervoudige kamer en wees de griffierechten af, omdat verzoekster aannemelijk had gemaakt dat zij niet over eigen vermogen of inkomsten beschikte om het griffierecht te voldoen.
Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan op 1 april 2021 door de voorzieningenrechter B. Fijnheer en is niet vatbaar voor hoger beroep of andere rechtsmiddelen.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening om uitzetting te voorkomen is afgewezen.