ECLI:NL:RBDHA:2021:15794
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen niet-inhoudelijke behandeling verblijfsvergunning asiel
Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid om zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling te nemen. De reden hiervoor was dat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielaanvraag.
De rechtbank heeft de zaken NL21.7377 en NL21.7378 gezamenlijk behandeld tijdens de zitting op 25 mei 2021. Verzoeker was aanwezig en werd bijgestaan door zijn gemachtigde, terwijl de Staatssecretaris werd vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Een tolk was eveneens aanwezig.
De voorzieningenrechter oordeelde dat een voorlopige voorziening niet langer noodzakelijk was vanwege de reeds geplaatste uitspraak in zaak NL21.7377. Daarom werd het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
De uitspraak werd gedaan op 31 mei 2021 en is openbaar gemaakt via rechtspraak.nl. Verzoeker werd gewezen op de mogelijkheid om binnen vier weken in beroep te gaan bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat de hoofdzaak reeds is behandeld.