Verzoekster, een vrouw van Ghanese nationaliteit, had een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd die op 20 november 2020 werd afgewezen door verweerder, de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Tegen dit primaire besluit maakte verzoekster bezwaar en vroeg zij tevens om een voorlopige voorziening.
Op 10 mei 2021 vond de mondelinge uitspraak plaats, waarbij verzoekster en haar gemachtigde niet aanwezig waren vanwege verhindering. Verweerder gaf aan zich niet te verzetten tegen de toewijzing van de voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter besloot het verzoek toe te wijzen, waardoor de uitzetting van verzoekster uit Nederland werd verboden tot vier weken nadat verweerder een beslissing op het bezwaar heeft genomen. Tevens werd verweerder veroordeeld tot betaling van de proceskosten van verzoekster, vastgesteld op € 534,-.
De uitspraak werd gedaan door voorzieningenrechter R.J.A. Schaaf en griffier Z.E.M. van der Maas, en is onherroepelijk omdat tegen deze uitspraak geen rechtsmiddel openstaat.